No. 47 Een tweede kans van Jannus van der Leegte


Jannus van der Leegte was geen man van veel woorden. Hij had ze vroeger genoeg gebruikt — in de bouwkeet, bij de kroeg, thuis met z’n vrouw. Maar nu, sinds hij met een minimale uitkering door het leven moest, hield hij zich stil. Te stil, misschien.

De dagen vloeiden in elkaar over, zoals goedkope koffie in een versleten mok. Elke maand was het weer aftellen naar die laatste week. De week van scharrelen. De week van blikken soep, brood van gisteren, en dat eeuwige gevoel in zijn buik dat ergens tussen honger en schaamte zat.

Hij woonde in een kleine flat boven een leegstaand winkelpand, waar het trappenhuis rook naar vochtige karton en oude soep. De brievenbus klemde. De vloer kraakte. En in zijn keukenkastjes stonden drie borden, twee mokken, en een pan zonder steel.

Zijn wekker hoefde hij nooit te zetten. Zijn lijf was inmiddels getraind op armoede-tijd. Elke dag begon met een kop lauwe oploskoffie en een boterham zonder beleg. Hij at langzaam. Niet omdat hij wilde genieten, maar omdat er verder niets op het programma stond.

Solliciteren deed hij nog. Soms. Niet meer met hoop, maar uit plicht. Omdat het zo hoort. Omdat de mevrouw van de gemeente anders weer zou zeggen:
“Jannus, u moet actiever participeren.”

Dat woord. Participeren. Alsof hij vrijwillig op de bank zat te staren naar de afbladderende muurverf.

Hij kende dat kantoor van binnen en van buiten. Sinds jaar en dag moest hij zijn hele doopceel uitleggen. Zijn jeugd, zijn fouten, zijn littekens.

Jannus was opgegroeid in een gescheiden gezin. Moeder werkte zich uit de naad, vader was naar zee verdwenen. Samen met zijn broer groeide hij op zonder keus, zonder veel spullen, maar met boeken. Die gaven tenminste antwoord.

Hij was slim, haalde de HBS, werkte in de weekenden bij een bakker om moeder te helpen. Er was geen geld, maar wel karakter.

Op zijn eenentwintigste kreeg hij verkering. Zij werd zwanger, ze trouwden, hij ging werken. In de bouw, lange dagen, korte nachten. En voor hij het wist, was zijn gezin hem ontglipt. Moeder en kind vertrokken. Hij was te vaak afwezig geweest, te moe om nog lief te hebben.

Het verdriet vrat aan hem. Hij verloor het vertrouwen in de mensheid, kwam in aanraking met de politie, belandde tijdelijk in de cel. En daar, tussen de ijzeren bedden en betonnen muren, vond hij opnieuw de boeken. Letters als reddingsboeien.

Na zijn vrijlating had hij niets. Geen thuis, geen baan. Hij sliep op straat, tot hij onderdak vond bij Bertus van de Fiets. Een ouwe baas met een schuur vol gereedschap en een hart dat groter was dan zijn portemonnee. Jannus hielp waar hij kon — banden plakken, koffiezetten, zwijgend aanwezig zijn.

Maar niets duurde lang. Behalve zijn bezoekjes aan het gemeentehuis.
Op een donderdag zat hij er weer. Fluorescerend licht, geur van plastic mappen, een klok die je verweet dat je tijd verspilde.

“En, meneer Van der Leegte,” zei een jongeman in een veel te strak jasje, “heeft u de vacature van conciërge bij het buurthuis overwogen?”
Jannus knikte. “Was al ingevuld.”
De jongeman fronste, klikte wat, zuchtte.
“U bent moeilijk plaatsbaar.”

Alsof hij een verkeerd puzzelstukje was geworden in een doos die allang weggegooid was.

Maar er was één plek waar hij zich geen weggegooid stuk voelde.
Kringloopwinkel De Lege Knip.

De winkel zat in een oud schoolgebouw net buiten het dorp. De gevel was afgebladderd, de ramen beslagen, maar binnen was het warm — van geurige boeken, bonte spullen en mensen met verhalen.

Daar vond Jannus een radio die precies één zender ontving: Radio 5, met liedjes uit zijn jeugd. Daar vond hij een jas die beter zat dan zijn huid, en rook naar iemand die hij nooit gekend had.

En daar vond hij boeken. Een plank vol vergeelde pockets, vergeten meesterwerken en mysterieuze titels. Hij had zijn vaste hoekje: een oude fauteuil, doorgezakt, maar voor hem comfortabel genoeg. Daar zat hij vaak. Stil, met de benen over elkaar en de bril op het puntje van zijn neus.

Hij las alles. Van thrillers tot reisverhalen, van Vestdijk tot Arnon Grunberg. Boeken die hem even uit zijn eigen leven tilden. En soms, als klanten kwamen snuffelen tussen de titels, schoof hij zijn bril omhoog en vroeg:

“Waar houdt u van? Romantiek? Of liever iets met een moord erin?”

Ze schrokken, die mensen, omdat hij zo plots sprak. Maar als hij eenmaal begon, luisterden ze. Jannus had geen talent om te verkopen, maar wel om te raken.
Sommigen kwamen speciaal terug.

“Heb je nog wat dat lijkt op dat boek van vorige keer?”
Dan tikte Jannus tegen zijn slaap, alsof hij een onzichtbare catalogus doorbladerde, en haalde precies het juiste boek uit de kast.

Vroeger rookte hij zware Van Nelle. Totdat een pakje net zoveel ging kosten als een halve week boodschappen. Drinken deed hij niet. Op een Sneeuwwitje na — bier met 7-Up — iets wat hij ooit met zijn broer dronk op een kermis, lang voordat die naar Canada emigreerde en Jannus alleen achterbleef.

Soms, als hij naar zijn schaduw keek, dacht hij:

“Maar goed dat ik nooit getrouwd ben.”
Niet uit bitterheid. Maar uit medelijden met wie het anders had kunnen zijn.
“Die ellende zou ik een vrouw en kinderen niet meer aan willen doen.”

Die avond, na het gesprek met het strakke jasje, zat hij op het bankje voor De Lege Knip.
Trees kwam naast hem zitten. Ze gaf hem een mok koffie met een barst erin.
Hij keek er even naar, glimlachte flauwtjes.
“Barst past bij mij,” mompelde hij.
Trees haalde haar schouders op.
“Geeft karakter.”
Er viel een korte stilte. Radio 5 klonk zacht door het open raam. Iets van Boudewijn de Groot.

“Kom je voor de boeken, of voor de rust?” vroeg ze.
Jannus nam een slok.
“Beetje allebei.”
Ze knikte, keek voor zich uit.
“Ik kom voor de mensen. Maar ik blijf voor het zwijgen.”

Jannus draaide zijn hoofd naar haar toe.
“Dat is een mooie zin.”
“Ik schrijf wel eens wat,” zei ze, bijna verontschuldigend.
“Ik lees wel eens wat,” antwoordde hij.

Ze glimlachten allebei.
En dat was het begin.

En zo begon de voorlopige samenwerking tussen Trees en Jannus. Niet met een contract of een handdruk, maar met het doorgeven van een doos boeken en een gedeeld gevoel dat iets ouds misschien weer iets nieuws kon worden.

De dagen erna hielp Jannus mee zonder dat iemand het hem vroeg. Hij zette stoelen recht, duwde een kast naar een andere hoek, sorteerde gereedschap alsof het gereedschap hem nog kende. Trees liet hem begaan. Af en toe gaf ze hem een knikje. Meer was niet nodig.

Soms zei hij wat over een radio-uitzending, of over de geur van een boek dat naar kelderrook rook.
Soms las zij een zin voor uit iets dat ze gevonden had.
En soms zaten ze gewoon. Koffie. Stilte. Een mok met een barst.

Mensen begonnen vragen te stellen.
“Is dat die nieuwe vrijwilliger?”
“Werkt hij hier nu?”
Trees haalde haar schouders op.
“Hij werkt aan iets. Dat telt ook.”


Ontdek meer van Mijn korte verhalen

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Reactie op “No. 47 Een tweede kans van Jannus van der Leegte”

  1. ymarleen Avatar

    Radio 5 nu enkel online dacht ik. Een tiental jaren geleden luisterde ik daar ook graag naar. nu Klara.

    Geliked door 1 persoon

Plaats een reactie

Ontdek meer van Mijn korte verhalen

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder