
Het was in de nazomer dat Trees van Balen besloot zichzelf een reisje cadeau te doen. “Ik wil naar Den Haag,” zei ze tegen Jannus, terwijl ze in De Lege Knip een stapel vergeelde liefdesromans rechtlegde. “Niet voor de zee, maar voor de woorden.” Haar bestemming: het Literatuurmuseum, verstopt in het imposante gebouw van de Koninklijke Bibliotheek.
De treinrit duurde bijna anderhalf uur, maar voor Trees – gewapend met een thermos thee, een boek van Helman en een notitieblok vol zinnen die ooit een roman konden worden – was het eerder een pelgrimstocht dan een reis. Bij aankomst in Den Haag trok ze haar jas recht, inhaleerde de zilte lucht van een stad vol verhalen en stapte vastberaden naar het gebouw dat al sinds de jaren ’50 het geheugen van de Nederlandse letteren bewaarde.
Tussen Manuscripten en Mythen
Eenmaal binnen werd ze verwelkomd door een geur die je alleen in echte archieven ruikt: oud papier, leer, een zweem van inkt. De leeszaal was sereen. Achter glas zag ze brieven vol heimwee van Indische schrijvers, kinderboekillustraties van lang vergeten tekenaars, portretten van dichters die haar vroeger hadden ontroerd — en daar, in een verlichte vitrine, lag hij: de sigaar van Couperus.
“Een beetje zielig dat hij nooit is opgerookt,” mompelde Trees, “maar ook… juist mooi. Alsof hij nog steeds wacht op een laatste hoofdstuk.”
Naast haar lagen andere wonderlijke relikwieën: de broek van Belcampo — “waarvan je niet weet of hij erin schreef of erin verdween,” dacht Trees — en de onwaarschijnlijk blinkende stofzuiger van Vestdijk. Wat moest hij ermee? Schoonzuigen tussen de zinnen?
Archieven met Adempauze
Trees mocht, met toestemming, enkele brieven van Bea Vianen en Anton de Kom inzien. Ze liet haar vingers zweven boven het papier, niet rakend, maar voelend. “Niet vergeten. Niet openen. Alleen voelen,” hoorde ze Jannus in haar hoofd zeggen, herinnerend aan de Bliksembrief.
In een hoekje sprak ze kort met een jonge archiefmedewerker. Hij vertelde dat het hele museum zou verhuizen, naar Utrecht, naar een plek die Magazijn De Zon heette. “Een verhuizing van jewelste,” noemde hij het. “We zijn bezig met het transport van 6000 schrijvers.”
Trees grinnikte. “Dat klinkt alsof jullie een carpoolprobleem hebben van literaire proporties.”
Een Afscheidsblik
Aan het eind van de middag liep Trees nog een keer langs de tentoonstelling. In een digitale hoek zag ze de online expositie over Surinaamse schrijvers. Ze bleef hangen bij een zin van Trefossa: Mi no abi wan taki fu gi yu.
“En toch zijn we hier, pratend in teksten,” fluisterde ze.
Voordat ze vertrok, schreef ze iets in het gastenboek:
“Woorden sterven niet. Ze verhuizen slechts, met hun koffers vol herinnering. — Trees van Balen, kringloopvrouw met literaire trekjes.”
Op het perron in Den Haag voelde ze zich even een koffer met benen. Maar wel een die gevuld was met stof van verhalen, kruimels van schrijverschap en een kruidige zweem van een oude sigaar.
Plaats een reactie