
Het was een dinsdag waarop de regen zich niet liet afschudden en de dozen met servies zich opstapelden als stille getuigen van vergeten diners. Jolanda was bezig met het uitpakken van een partij borden toen ze iets voelde dat geen bord was. Een cilindervormig object, matgrijs, met een deksel dat net iets te plechtig klikte.
Een urn. Niet zwaar. Niet gevuld. Maar mét etiket.
“Wim, 1934–1999, teruggebracht na vakantie.”
Trees werd erbij geroepen. Ze las de tekst hardop, alsof het een gedicht was. Jannus keek op van zijn stapel cd’s en zei: “Dat is geen servies. Dat is een afscheid met bijsluiter.”
Er ontstond een stilte die niet ongemakkelijk was — eerder nieuwsgierig. Wie was Wim? Waarom stond zijn urn tussen de soepkommen? En wat betekende “teruggebracht na vakantie”?
Zuster Justina bekeek de urn met haar gebruikelijke rust. “Misschien was hij mee op reis,” zei ze. “Of misschien was het de vakantie van degene die hem niet langer wilde bewaren.”
Bas zocht in het archief, maar vond geen match. Geen overlijdensbericht, geen donatieformulier. Alleen de urn, en de zin.
Een bezoeker vroeg: “Is hij leeg?” Jolanda knikte. “Ja. Maar niet betekenisloos.”
De urn kreeg een plek in de vitrine “Wat mensen achterlaten”, naast een doos met ongeopende brieven en een fotolijst met de tekst “Wij missen je ook niet.” Het bordje erbij:
“Wim, 1934–1999 – Teruggebracht na vakantie. Leeg, maar niet vergeten.”
Sommige bezoekers glimlachten. Anderen bleven lang staan. Eén vrouw fluisterde: “Mijn vader heette ook Wim. Maar hij wilde geen urn. Hij zei: ‘Als ik weg ben, laat me dan ook echt gaan.’”
Een kind vroeg: “Mag je een urn terugbrengen?” Trees antwoordde: “Soms wel. Soms moet je.”
En zo bleef Wim — of althans zijn naam — in De Lege Knip. Niet als reliek. Niet als grap. Maar als herinnering aan hoe afscheid soms niet eindigt met stilte, maar met een zin op een sticker.
Plaats een reactie