
Op een zondagmorgen liep Trees haar gebruikelijke rondje door het dorp. Het was een stille ochtend, zoals zoveel zondagen. Toen ze langs de kerk kwam, zag ze hoe mensen naar binnen stroomden — gezinnen, ouderen, alleenstaanden. Ze bleef staan. Daar was ze in geen jaren geweest.
Even aarzelde ze. Wat trok haar aan? Was het nieuwsgierigheid? Of iets anders, iets zachts dat ze niet goed kon benoemen? Toch nam ze een besluit en liep de drempel over.
Binnen bleef ze staan, ietwat verloren. De ruimte was stiller dan ze zich herinnerde, ruimer ook, alsof de tijd er trager liep. De anderen gingen zitten, stil, vanzelfsprekend. Maar zij… kon zij zomaar plaatsnemen?
“Hee Trees, leuk dat jij hier ook bent,” klonk het plots achter haar.
Ze draaide zich om en zag Peter, een bekende uit het dorp, met een warme glimlach.
“Ik ben hier naar binnen gelopen zonder te beseffen waarom,” zei ze eerlijk.
Peter legde zijn hand op haar schouder, geruststellend.
“Wat was je laatste ingeving voordat je naar binnen stapte?” vroeg hij zacht.
Trees keek hem even aan, haar ogen zoekend.
“Ik heb geen idee,” antwoordde ze oprecht.
Peter knikte langzaam, zonder oordeel. “Loop maar met mij mee. Dan zoeken we samen een plek. Soms komt het antwoord pas als je al zit.”
Trees zat stil naast Peter, haar handen in elkaar gevouwen, haar blik op de houten rugleuning voor haar. De geur van kaarsvet, versleten jassen, en iets bloemigs vulde haar neus. Ze ademde rustig in, bijna aarzelend.
Toen keek ze opzij. Naar de mensen.
Twee rijen voor haar zat Marietje van den Akker, die elke vrijdag komt voor het breicafé. Marietje wiegde zachtjes heen en weer, ogen dicht, alsof de woorden haar wiegden.
Links, iets verder, zag Trees meneer Lommers, die steevast bij de boekenhoek naar romans met grote letters zoekt — de man die nooit groet maar altijd terugkomt.
En op de achterste bank, bijna verborgen onder een muts en een grijze sjaal: Jozefien. Die elke dinsdagochtend komt voor koffie, een praatje, en soms alleen stilte. Jozefien had haar hoofd licht gebogen, handen op haar knieën. De zon viel via een gebrandschilderd raam over haar heen. Trees dacht even: ze lijkt net een icoon.
Ze had het nooit beseft — dat er mensen waren die in beide werelden thuishoorden. In de kerk én in De Lege Knip. In geloof én in herstel, hoop, tweede kansen.
Peter fluisterde: “Je kent ze, hè?”
Trees knikte langzaam. “Ze komen allemaal… bij ons.”
Peter glimlachte. “Misschien komen ze ook wel hier om dezelfde reden.”
Trees zweeg. De dominee begon te spreken over gemeenschap, over dragen en gedragen worden. Over plek houden voor wie soms niet weet waar hij thuis is.
En Trees, die dacht dat ze per ongeluk was binnengekomen, begon te vermoeden dat het misschien geen toeval was. Maar een draad. Eén die tussen haar wereld en deze liep. Niet strak, maar soepel. En misschien zelfs sterker dan ze dacht.
De dienst was afgelopen. De zon brak aarzelend door het wolkendek terwijl de kerkdeuren opengingen. Mensen liepen in kleine groepjes naar buiten, de een nog in stilte, de ander al lachend en pratend over wat er gezegd was.
Trees stond wat onwennig op het plein, Peter nog altijd naast haar. Ze werd herkend door veel mensen. Sommigen knikten vriendelijk, anderen riepen haar naam.
“Trees! Goed je eens te zien!”
“Lang geleden hoor, Trees!”
Ze glimlachte, groette, voelde zich ergens warm en ongemakkelijk tegelijk. Toen kwam Marijke op haar af — kordaat, met dat typische mengsel van nieuwsgierigheid en zorgzaamheid dat haar eigen was.
“Ik vroeg me af,” zei Marijke op zachte toon, “is Jannus niet mee?”
Trees schoot in de lach, iets te hard misschien. “Vijf — en soms zes — dagen samenwerken is leuk hoor,” zei ze terwijl ze haar handen in haar jaszakken stak, “maar in onze vrije tijd moet ieder zijn gang kunnen gaan.”
Peter keek geamuseerd opzij en voegde er plagerig aan toe: “Dacht u dat Trees en Jannus een koppeltje waren dan, Marijke?”
Marijke trok haar wenkbrauwen op en zei zonder schroom: “Nou, ik zie die twee alleen maar samen. Die zijn normaal toch getrouwd!”
Trees voelde hoe haar wangen vuurrood werden. Ze lachte het weg, maar zocht tegelijk naar de juiste woorden.
“Dat wij ooit samen in De Lege Knip terecht zijn gekomen, en daar samenwerken,” zei ze, “wil nog niet zeggen dat we in die richting denken. Dat hebben we, eerlijk gezegd, nooit overwogen.”
Ze pauzeerde even. De lucht rook naar koffie en herfstbladeren.
“Jannus en ik… we zijn gewoon heel verschillend. We hebben ieder ons eigen verleden, onze eigen ideeën. Juist dát maakt De Knip werkbaar. Stel je voor dat we dezelfde smaak hadden in alles — dan was de boekenhoek vol thrillers en de servieskast een chaos.”
Peter grijnsde. “Of andersom.”
Marijke knikte nadenkend. “Nou ja, ik dacht het maar. Jullie vullen elkaar zo mooi aan.”
“Dat doen we,” zei Trees zacht, “maar op de manier zoals sommige muren precies passen bij een houten vloer. Samen vormen ze iets warms — zonder elkaar te bedekken.”
Ze had het niet gepland, die metafoor. Maar toen ze het uitsprak, wist ze dat het klopte.
Maandagochtend. Het was nog vroeg, de koffiezetter pruttelde zijn eerste kopjes bij elkaar. De winkel was stil — een zeldzaam moment van rust voor de dag echt begon.
Trees was als eerste binnen en zette de bloemen recht in de vaas bij de toonbank toen Jannus binnenstapte, zijn sjaal nog half om zijn nek gewikkeld.
“Goedemorgen,” zei hij, zijn stem wat schor.
“Goedemorgen,” antwoordde Trees terwijl ze hem aankeek. “We moeten even praten.”
Jannus hief een wenkbrauw. “Klinkt ernstig. Gaat het om die kast die maar niet verkocht wordt, of ben ik eindelijk door de ballotage gevallen?”
Trees glimlachte. “Het gaat over gisteren. Ik ben naar de kerk geweest.”
Jannus haalde zijn schouders op. “Kan gebeuren. We leven in een vrij land.”
“Dat is het niet. Er waren mensen die dachten… dat jij en ik… dat wij een stel zijn.”
Jannus stond even stil, een koffiemok in zijn hand. Toen zei hij droog: “En? Heb je ze uit hun lijden verlost?”
“Ik heb gezegd dat samenwerken iets anders is dan samen zijn. Maar ik merkte dat het me raakte. Niet omdat ik het gênant vond, maar omdat… nou ja, het blijkbaar iets is wat mensen zien. Of denken te zien.”
Hij ging zitten aan de leestafel, blies in zijn koffie en keek haar aan. “Weet je wat ik denk?” zei hij. “Wij zijn voor veel mensen het gezicht van De Lege Knip geworden. En gezichten willen ze koppelen. Alsof samenwerking niet voldoende is. Alsof het alleen zin heeft als het ook romantisch is.”
Trees plofte naast hem op de bank. “Dat is het misschien wel. Mensen willen dat dingen passen. Verhalen met een boog. En een happy end.”
Jannus lachte zacht. “En wat zeg jij dan? Dat dit ons happy end al is?”
Ze keek hem aan, half schuin. “Nee. Maar ik zeg dat het misschien nog veel meer is. Wij zijn geen stel, maar we dragen samen iets wat betekenis heeft. En als dat al niet intiem is…”
Jannus knikte langzaam. “Wij zijn als twee pilaren onder een oud dak. Verschillend, maar samen stevig.”
Even was het stil. Buiten liepen de eerste klanten richting de deur. De zon brak door, precies op het glas-in-loodraam van het oude schoolgebouw.
“Dus,” zei Trees luchtig, “als iemand weer vraagt of wij een stel zijn, wat zeg jij dan?”
Jannus stond op, pakte een dienblad en liep richting de koffietafel.
“Dan zeg ik: Nee hoor, wij zijn erger. Wij zijn medeverantwoordelijk.”
Trees lachte luid. “Dat is misschien nog wel waar ook.”
Plaats een reactie