No. 79 Drukte, Dozen en een Zeeman


Het was die middag een komen en gaan in De Lege Knip. Alsof een onzichtbare wind iedereen naar binnen had geblazen. Aan de leestafel zat het vol. In de boekhoek werd gesneupt alsof het koopzondag was. En in het achterste deel van de winkel stonden dozen vol kleinnoden uit een zojuist leeggehaald huis door de LegeKnipkoerier — van miniatuurlampjes tot vergeelde fotoalbums met krullerige namen erin geschreven.

“Alle hulptroepen graag naar de vloer,” had Trees eerder geroepen, en sindsdien draaide alles op volle toeren.

Jannus stond achter de leestafel en keek met een scheef glimlachje naar het rumoer. “Nog even en we hebben er een kroeg bij,” mompelde hij tegen zichzelf. Vooral om de man in de schipperspet.

Hij was fors gebouwd, met brede schouders, een stoppelbaard en ogen die tegelijk ondeugend en vermoeid keken. Hij zat daar al een uur, een stevige mok koffie in de hand, terwijl hij in sappige zinnen vertelde over zijn leven op zee. “Geen vrouw,” zei hij met een knik, “maar wel vrouwen. Genua, Valparaíso, Fremantle, Paramaribo — ik heb er overal een hart achtergelaten.”

Zijn stem was warm en meeslepend, zijn gebaren groot. Rondom hem verzamelde zich een schare luisteraars. Zelfs de kinderen uit de kinderhoek kwamen op hun tenen luisteren als hij vertelde over stormen op de Atlantische Oceaan.

In De Lege Knip zitten ze ademloos te luisteren. Zelfs Trees, die nooit veel op had met stoere praatjes, blijft hangen met een koffiekop in de hand. De man met de schipperspet vertelt. Niet om indruk te maken. Hij moet het kwijt.

“Je begrijpt pas wat ‘leven’ is als je je eerste haven binnenloopt na weken op zee. Alles ruikt naar olie en zweet, je tong is droog van zout en stilte, en dan… dan hoor je daar muziek uit een café lekken. Gitaargeluid. Gelach van vrouwen. Het leven zelf dat roept.”

Hij kijkt rond, ogen een beetje wazig.

“Napels… Die stad rook naar vis, diesel en rozenwater. We kwamen daar aan met vier man, en binnen een uur waren we uit elkaar geslagen. Vijf cafés, zes flessen pastis, en ik geloof dat ik daar mijn linker wenkbrauw heb verloren in een weddenschap met een accordeonist.”

De kinderen uit de kinderhoek zijn stil geworden. Ze hebben geen idee wat pastis is, maar het klinkt gevaarlijk en dus goed.

“Lissabon,” zegt hij. “Daar draaide een vrouw met rood haar platen van Elvis op een krakkemikkige pick-up. Ze danste in een bar die half in zee leek te drijven. Haar man zat in de gevangenis, dus wij… nou ja. We hebben gedanst.”

Er wordt gegniffeld.

“En Kaapstad… daar was Mickey. De papegaai met één oog. Die kon je op je schouder zetten, dan riep hij: ‘Nog eentje dan!’ En dan kreeg je een gratis rum. Tien shotjes later vroeg je je af of je hem niet stiekem zelf had leren praten.”

“Rio was vuur. Buenos Aires was melancholie. In Marseille heb ik een trouwring gekocht en in dezelfde nacht weer verkocht. Voor bier.”

Er valt een korte stilte. Dan zucht hij.

“Je leert nergens sneller wie je bent dan in een haven waar niemand je kent.”

Jannus mompelt zacht: “En nergens sneller wie je niet meer bent.”

De man knikt langzaam. “Zo is het.”

Ze noemen het thuiskomen. Maar niemand bereidt je voor op hoe hard je aan land kunt vergaan.

Na acht maanden varen, stapte ik het huis weer binnen. De voordeur kleefde een beetje, alsof ze al die tijd niet open was geweest. In de gang stond nog die jashaak die altijd te laag hing. En op de bank zat mijn vrouw, met haar armen over elkaar en haar ogen als een gesloten haven.

“Ben je daar?” zei ze. Geen kus, geen vraag, geen traan. Alleen die woorden, alsof ik van de bakker kwam.

Ik zette mijn tas neer. Die rook naar machinekamer, karton en sigaren. “Ik ben moe,” zei ik.

Ze lachte, koud. “Moe? Je hebt de oceaan gezien. Palmbomen. Je hebt gezopen met Portugezen, kaart gespeeld met Kameroeners. Ik heb hier de was gedaan en je moeder begraven.”

Ze stond op. “Je had minstens kunnen doen alsof je ons gemist hebt.”

Ik wist niet wat ik moest zeggen. Want ik hád ze gemist — op de manier waarop je naar een geur verlangt, of een lied dat je niet meer helemaal kent. Maar ik kon het niet pakken, niet vasthouden. Op zee leer je afstand. De horizon wordt je vriend. Alles wat dichtbij komt, doet zeer.

Die nacht sliep ik op de bank. Het kussen was te zacht. De klok tikte als een te langzaam kompas. In plaats van golven hoorde ik het knarsen van de CV.

’s Morgens vroeg stond mijn zoon in de deuropening. Vijftien, misschien zestien. Brede schouders, vreemde ogen. Hij keek alsof ik een pakketje was dat verkeerd was bezorgd.

“Weet jij eigenlijk nog hoe ik heet?” vroeg hij.

Ik wist het niet zeker.

Toen wist ik: de zwaarste stormen zijn die waarin je niet kunt verdrinken, alleen verdwijnen.

 “Wie is dat eigenlijk?” fluisterde Trees aan Jannus, terwijl ze twee stapels boeken sorteerde.

“Geen idee,” antwoordde hij. “Hij kwam binnen, zette zich, en begon te praten. Alsof hij De Lege Knip al jaren kende.”

“Misschien is hij op zoek naar iets,” zei Trees.

“Of iemand,” voegde Jannus eraan toe.

Maar toen ze hem later iets vroegen — waarom hij juist vandaag hier was, wat hem had gebracht — haalde hij alleen zijn schouders op.

“Ik volg de wind,” zei hij. “En de geur van goede koffie.”

Op de achterkant van een kassabon schreef hij iets — misschien een naam, misschien een code. En hij stopte het tussen de bladzijden van een boek over zeemansliederen uit de 19e eeuw.

De man met de schipperspet stond op, rekte zich uit, en keek nog één keer naar de leestafel vol gezichten — jong en oud, hongerig naar verhalen die je nergens anders hoorde.

Hij nam een laatste slok van zijn koffie, bromde iets wat op “houdoe” leek, en stapte de deur uit. Niemand wist waarheen.

Trees keek hem na. “Zei hij dat hij terugkwam?”

Jannus schudde zijn hoofd. “Bij zeelieden weet je dat nooit. Ze komen en gaan. Altijd op avontuur.”

De kinderen die in een kring om hem heen hadden gestaan, liepen terug naar de kinderhoek. Iemand pakte een kleurpotlood op. Maar de stilte die hij achterliet, trilde nog even na — als een echo van de zee.

Later die middag vonden ze onder zijn stoel een vergeelde foto. Een jongere versie van hem, ergens op een houten pier, met een vrouw die lachte en een kind op haar arm.

Geen naam. Geen tekst. Alleen de geur van zout en herinnering.

En de Lege Knip wist: sommige verhalen komen niet om te blijven. Ze komen om verteld te worden.


Ontdek meer van Mijn korte verhalen

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Reacties op “No. 79 Drukte, Dozen en een Zeeman”

  1. rietepietz Avatar

    Nee ik heb niets gedronken in de kroeg, maar de sfeer is heel knap getekend dus ik heb gewoon even meegeluisterd naar het verhaal.

    Geliked door 1 persoon

  2. wzijlstra10 Avatar

    Soms laat ik een verhaal voorlezen, maar het mooist is om het zelf te lezen om de klemtonen op de juiste plaats te zetten.

    Like

  3. ymarleen Avatar

    Ja, met geluid nog intenser dan het al is. Mooi hoor.

    Geliked door 1 persoon

  4. gewoonanneke Avatar

    Mooi verhaal. Vorig jaar een levensboek voor een man geschreven die ook had gevaren en mooie verhalen daarover wist te vertellen…… een andere wereld.

    Geliked door 1 persoon

Plaats een reactie

Ontdek meer van Mijn korte verhalen

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder