
Het was op een stille ochtend die 5e augustus, toen de zon aarzelend door de oude ramen van De Lege Knip viel, stapte een vrouw met zilvergrijs haar het pand binnen. Ze droeg een zachte, donkerblauwe jas en had een tas bij zich die al evenveel jaren leek te hebben meegemaakt als haar herinneringen.
Trees herkende haar van eerdere bezoekjes, altijd vriendelijk, een beetje bedachtzaam. Vandaag was er iets anders aan haar blik — een zachtheid, misschien ook iets plechtigs.
“Mag ik even rondkijken?” vroeg ze, terwijl haar hand rustte op de rand van een vitrinekast vol oud glaswerk.
“Natuurlijk,” zei Trees, “neem alle tijd.”
Even later stond de vrouw — Harmke, zoals Trees zich herinnerde — stil bij het oude boeren kabinet. Haar vingers gleden over het houtsnijwerk, alsof ze een vergeten melodie wilde aanraken.
“Vandaag zou mijn moeder 110 zijn geworden,” zei Harmke zacht. “Ze is dertien jaar geleden overleden, op haar zevenennegentigste. Maar ik had haar vandaag nog zo graag even iets willen vertellen. Of gewoon even haar stem willen horen.”
Trees zweeg. Sommige stiltes zijn waardevoller dan woorden.
Ze glimlachte flauwtjes. “Wat hebben zij samen hard gewerkt, daar in de slagerij. Elke dag vroeg op, lange dagen, met hun handen in het werk. En ’s winters, als het vroor, mocht ik soms meehelpen. Dat was geen pretje hoor, als je iets met zulke koude handen moest beetpakken. Dan brandden je vingers van de kou — en dan nog moesten we door.”
Trees knikte mee. Er viel een korte stilte die niet ongemakkelijk was — eerder een gezamenlijke buiging voor het verleden.
Aan de leestafel werd een stoel voor haar vrijgemaakt. Iemand zette koffie neer. En even later zat Harmke daar, tussen de spullen van vroeger, met een dampend kopje in haar hand.
Ze keek nog één keer naar het kabinet.
Soms is herinneren geen verlangen naar wat was,
maar een manier om te zeggen: ik ben er nog,
en zij ook — ergens tussen het hout en het hart.
Plaats een reactie