
Het was woensdagmorgen en de zon scheen onbesuisd door het stoffige glas van De Lege Knip. Jannus trapte stevig door op de bakfiets van de LegeKnipKoerier. De kratjes rammelden op het houten platform, terwijl zijn gedachten een stuk minder soepel reden dan zijn banden.
Hij had een lijstje in zijn borstzak: koffie, thee, appelsap, prikwater, en een paar extra flessen cola. De frisdranken gingen er de laatste weken vlot doorheen — opvallend vlot.
“Ze hebben gewoon dorst, Jannus,” had Trees gezegd toen hij het een week eerder voorzichtig aankaartte. “Kinderen die spelen krijgen dorst, zeker als ze rennen, springen en kleuren als jonge kikkertjes in de lente.”
Daarmee bedoelde ze de kinderen van Trijntje.
Trijntje. Een kordate vrouw met een stem als een houten lepel in een pan pap. Drie weken geleden had ze Trees gevraagd of ze op woensdagmiddag gebruik mocht maken van de kinderspeelhoek in De Lege Knip — bij slecht weer, met een paar kindjes uit de buurt. “Zodat ouders even hun handen vrij hebben,” had ze gezegd. “En ik weet dat het hier warm is. Veilig. En vol verhalen.”
Trees had haar goedkeuring gegeven. Niet achteloos — maar wel vlot. “Even overleggen met Jannus,” had ze nog gezegd. Maar dat overleg voelde voor Jannus nu meer als een mededeling achteraf.
Hij trapte de bocht door richting de groothandel. Aan een lantaarnpaal hing een vergeeld affiche: Kinderdagverblijf ’t Eekhoorntje – voor opvang met aandacht. Daar, ja, daar had hij het nou net over. Waarom kwamen die kinderen dan naar De Lege Knip? Was dit opvang? Een verlengstuk van Trijntjes bijbaan? En hoe zat het met verantwoordelijkheid, verzekering, veiligheid?
Hij zette de bakfiets tegen het rek en trok zijn lijstje tevoorschijn. Koffie. Thee. Cola. En een vraag die bleef knagen: Wanneer werd De Lege Knip een kindercrèche?
Later die middag
“Goed dat je er bent,” zei ze, toen ze Jannus zag binnenkomen. “Trijntje komt straks weer. Ze stuurde vanmorgen een berichtje dat ze vier kinderen meebrengt.”
Jannus zette de krat fris neer en veegde zijn voorhoofd af. “We moeten praten. Serieus.”
Trees keek op. “Over Trijntje?”
Hij knikte. “Ik heb het gevoel dat het uit de hand loopt. Ik begrijp haar goede bedoelingen, maar het lijkt wel of we een soort opvangcentrum aan het worden zijn. Zonder afspraken. Zonder toezicht van ons. En straks krijgen wij de verantwoordelijkheid als er iets misgaat.”
Trees zuchtte. “Ik snap het. Ik zie het ook. Het is een mooi initiatief, maar we moeten grenzen trekken.”
“En nog iets,” vervolgde Jannus. “We zijn geen officieel kinderdagverblijf. Daar gelden regels voor. Toezicht, BHV, GGD-toestanden. Ik wil niet op een dag een ambtenaar in de deuropening hebben die zegt: u bent hier kinderen aan het opvangen zonder vergunning.”
Trees zweeg even.
“Zullen we dan Trijntje vragen om langs te komen voor een gesprek?” stelde ze voor. “Kijken wat haar intenties precies zijn. Wat de afspraken met de ouders zijn. En of het niet iets te vrijblijvend is geworden.”
Jannus knikte. “Graag.”
Die middag kwam Trijntje iets voor tweeën binnen. Zoals altijd had ze een grote canvas tas bij zich vol kleurtjes, plastic bekers en een oude picknickdeken. Vier kinderen drentelden om haar heen — twee meisjes met staartjes, een jongetje met een raceautootje en een wat verlegen kleuter met een knuffel.
“Zeg maar gedag tegen Trees en Jannus!” zei Trijntje opgewekt, terwijl ze de kinderen richting de speelhoek begeleidde. Trees glimlachte vriendelijk, Jannus hief even zijn hand.
Trijntje legde de deken uit, gaf bekers aan de kinderen en vulde die met aangelengde limonade uit een plastic fles. Daarna haalde ze kleurboeken en een doos Duplo tevoorschijn. De kinderen begonnen al snel te spelen, alsof ze hier thuishoorden. En misschien voelden ze dat ook zo.
Trees en Jannus keken vanuit de leeshoek toe.
“Ze doet het met liefde,” zei Trees zacht.
Jannus knikte. “Maar het is geen liefde die onze verzekering dekt.”
Ze besloten nog even te wachten. Even laten betijen. Na een uurtje, toen de kinderen verdiept waren in hun spel en Trijntje met een boek op haar schoot op de poef zat, liep Trees op haar af.
“Trijntje,” begon Trees vriendelijk, “mag ik even met je praten?”
Trijntje keek op, haar blik eerst verrast, toen voorzichtig. “Natuurlijk, Trees. Is er iets?”
Trees knielde een beetje door, zodat ze op gelijke hoogte kwam. “We zijn heel blij dat je er bent. En dat je de kinderen zo goed opvangt. Echt waar. Maar Jannus en ik maken ons toch zorgen.”
“Zorgen?” Trijntje fronste. “Over de kinderen?”
“Niet over hoe jij het doet,” zei Trees snel. “Maar over wat het met De Lege Knip doet. We worden steeds vaker een soort opvangplek, zonder dat we afspraken hebben. Stel dat er iets gebeurt. Wie is dan verantwoordelijk? Wij zijn geen erkend kinderdagverblijf, Trijn.”
Trijntje zweeg even. Haar ogen gleden naar het jongetje met het raceautootje, die nu een toren bouwde van boeken en blokken.
“Maar waar moeten ze dan heen?” vroeg ze zacht. “Sommige ouders hebben nergens plek. En ik vind het zo belangrijk dat ze een veilige plek hebben.”
“Dat vinden wij ook,” zei Trees. “Misschien moeten we samen kijken of we het formeler kunnen maken. Een vaste middag met aanmelding. Een contactlijst. En misschien zelfs overleg met de gemeente of wijkraad. Zodat het blijft bestaan, maar veilig en verantwoord.”
Trijntje knikte langzaam. “Ik wil best helpen, ook met regels. Ik ben geen juf, geen crèche. Maar ik ben wel een soort dorpsmoeder, weet je?”
“Dat ben je zeker,” glimlachte Trees. “Een echte dorpsmoeder. En dat waarderen we enorm.”
Ze zweeg even, keek naar de spelende kinderen en legde toen zacht haar hand op Trijntjes arm.
“Maar laten we het samen goed regelen, want ook onze kosten én jouw verdiensten spelen daarin mee. Frisdrank, materiaal, ruimte — dat loopt op, en dat moeten we helder maken. Niet om moeilijk te doen, maar om het eerlijk te houden.”
Trijntje knikte langzaam. “Ja… dat snap ik. Tot nu toe deed ik het gewoon — voor de kinderen. Maar ik wil best meedenken.”
Trees glimlachte weer, nu iets serieuzer.
“We zullen sowieso contact op moeten nemen met de gemeente. Er zullen regels zijn over inrichting, toezicht, en waarschijnlijk ook over jouw bevoegdheden: of je over de juiste ervaring beschikt, of je als gastouder onder toezicht valt. En, het belangrijkste: de verantwoordelijkheden. Die van jou, maar ook die van ons als De Lege Knip.”
Trijntje zuchtte. “Dat klinkt ineens… groter dan ik dacht.”
“Dat is het misschien ook wel,” zei Trees, “maar dat hoeft niet erg te zijn. Misschien mogen we een beperkt aantal kinderen opvangen. Misschien is er zelfs een mogelijkheid voor subsidie, als het een maatschappelijk initiatief is.”
Ze boog iets naar voren. “Maar het moet onder voorwaarden. Niet omdat we je niet vertrouwen, maar juist omdat we willen dat het blijft bestaan.”
Toen Jannus de volgende morgen aan kwam, trof hij Trees achter de kassa. Ze zat net de bonnetjes van de vorige dag te sorteren, met haar leesbril op haar neus.
“Heb je even?” vroeg hij.
Ze knikte. “Laat me raden: het gaat over Trijntje.”
Jannus knikte. “Ik vind het prachtig hoor, wat ze doet. Maar het is wel ineens een halve kinderopvang daar achter. En wij zijn geen kinderdagverblijf, hè. Ik heb vanmorgen toch maar even de gemeente gebeld.”
Trees keek op. “En?”
“Ze sturen vandaag iemand langs. Meneer Van der Wal, beleidsmedewerker maatschappelijke voorzieningen. Hij wil gewoon eens horen wat er precies speelt.”
Trees zuchtte. “Goed zo. Liever dat we het helder krijgen, dan dat we ineens met boetes of verboden te maken krijgen.”
De zelfde ochtend, even voor twaalven, kwam Van der Wal binnen. Grijs colbert, opgerolde mouwen, blocnote onder de arm. Hij keek met belangstelling rond, groette de klanten vriendelijk, en stelde zich netjes voor.
“Zo,” zei hij toen hij met Jannus en Trees aan de leestafel zat. “Vertel eens: wat speelt er hier precies met die kinderen op woensdagmiddag?”
Jannus legde uit hoe het begonnen was. Trees voegde toe dat het vanuit zorg en gemeenschap was ontstaan — niet uit winst, maar uit noodzaak en betrokkenheid. Trijntje was erbij geroepen, en zij vertelde met vuur over haar ervaring als oppasmoeder.
Van der Wal luisterde aandachtig, knikte veelvuldig, stelde enkele scherpe maar eerlijke vragen.
“Ik zie jullie goede bedoelingen,” zei hij uiteindelijk. “Maar formeel gezien valt dit al snel onder ‘buitenschoolse opvang’. Daar hangen regels aan. Zeker als het structureel is.”
“Dus het mag niet?” vroeg Trijntje voorzichtig.
Van der Wal glimlachte. “Zeg nooit meteen dat iets niet mag. Maar als jullie hiermee door willen gaan, dan moeten we het formaliseren. Kijken naar maximale groepsgrootte, veiligheid, aansprakelijkheid… Misschien kan het onder de paraplu van een buurtinitiatief. Daar zijn mogelijkheden voor.”
Jannus en Trees keken elkaar aan. Trijntje veegde onopvallend een traan weg.
“Dan gaan we dat uitzoeken,” zei Trees beslist. “Maar alleen als Trijntje er ook achter staat.”
“Ik wil wel,” fluisterde Trijntje. “Als het mag. En als ik een beetje geholpen word.”
Van der Wal stond op, schoof zijn blocnote dicht en keek Trijntje vriendelijk aan. “Dan maken we daar samen werk van,” zei hij, “maar het kan wel even duren voor ik zeker weet wat mogelijk is.”
Trijntje knikte begrijpend. “Dat geeft niet. Als ik maar weet waar ik aan toe ben.”
Trees stond ook op. “Dat willen wij ook. Geen half werk, geen grijze gebieden. We zijn al een kringloopwinkel met een leeskamer, museumhoek en koffiebar — dan moeten we wel weten waar de grenzen liggen.”
Van der Wal lachte. “Een bijzondere plek, dat is zeker. Maar juist zulke plekken verdienen duidelijke kaders. Ik hou contact.”
Jannus liep met hem mee naar de deur, terwijl Trijntje stil bleef staan bij de speelhoek, waar een kind haar net een boekje liet zien over een pratende olifant.
Buiten sloot de ambtenaar zijn regenjas en keek nog één keer om. “U weet me te vinden,” zei hij. “En ik hou u op de hoogte.”
Afgesproken was dat Trijntje, zolang er nog geen beslissing was gevallen, gewoon welkom was op woensdagmiddag met haar groepje kinderen. Zolang ze zich hield aan de gemaakte afspraken – toezicht houden, niet te veel lawaai, en de speelhoek netjes houden – liet De Lege Knip haar haar gang gaan. Trees vond het prima zolang de rust in de winkel niet werd verstoord. En eerlijk is eerlijk: het vrolijke gegiechel van de kinderen gaf op regenachtige middagen ook wel wat kleur aan de dag.
Jannus bleef echter wat sceptisch. “Het is toch een beetje concurreren met echte kinderdagverblijven,” had hij tegen Trees gezegd, terwijl hij de dozen frisdrank uitstalde. “En je weet hoe snel dat soort instellingen de gemeente bellen als ze zich benadeeld voelen.”
Twee weken later lag er een nette witte envelop op de toonbank, geadresseerd aan “Beheer Stichting De Lege Knip”. Jannus maakte hem open, las stilletjes, en gaf het papier aan Trees. Ze las het langzaam, knikte en zuchtte zacht.
“Geachte mevrouw Van Balen, geachte heer Van der Leegte,
Naar aanleiding van uw melding over tijdelijke kinderopvang in uw locatie kunnen wij u mededelen dat dergelijke activiteiten niet zijn toegestaan zonder de juiste vergunningen en kwalificaties.
Wij verzoeken mevrouw Trijntje K. contact op te nemen met een erkend kinderdagverblijf om in overleg te treden over mogelijke samenwerking of doorverwijzing.
Met vriendelijke groet,
Namens afdeling Jeugd en Zorg
G. van der Wal, beleidsmedewerker.”
Trees keek naar de speelhoek waar op dat moment drie kinderen met houten blokken een soort reuzenrobot aan het bouwen waren.
“Dan is het dus afgelopen,” zei ze zacht.
“Ja,” zei Jannus. “Voorlopig wel.”
Ze besloten het Trijntje nog dezelfde dag te vertellen, vóór de kinderen weer opgehaald zouden worden. Geen verwijten, geen drama. Alleen maar de werkelijkheid, die zoals zo vaak weer net iets stroever liep dan de droom.
Plaats een reactie