
Het was een natte, grijze ochtend toen de deur van De Lege Knip openzwaaide. Een windvlaag vol regendruppels vloog mee naar binnen. Op de drempel stond een man die niemand eerder had gezien: smal postuur, verweerde regenjas, pet laag over zijn ogen. Het was een man die naar zout rook, zelfs als hij al weken aan wal zou zijn geweest.
Hij schudde zijn jas uit, hing hem behoedzaam aan de kapstok alsof hij bang was dat iemand eraan zou trekken, en keek even rond. Zijn blik bleef hangen bij de leestafel, waar Trees, Jannus, Justina en een paar vaste klanten zaten met koffie en kranten.
Trees was de eerste die hem opmerkte.
‘Zo, kom er maar bij, meneer. Het tocht minder als u zit,’ zei ze, terwijl ze een stoel iets naar achter schoof.
Hij knikte dankbaar, schoof voorzichtig aan en legde zijn zeemanspet voor zich op tafel, alsof die ook even moest uitrusten. Zijn handen waren grof, maar hij bewoog ermee alsof hij porselein vasthield.
Jannus vraagt “volgens mij hebben wij u hier niet eerder gezien”
‘Stephanus,’ zei hij, na een slok koffie die Justina hem had ingeschonken. ‘matroos geweest, lang geleden en begonnen als ketelbinkie.’
‘Zeemansleven, dus,’ merkte Jannus op, ‘dat hoor je hier niet elke dag.’
Stephanus keek even naar zijn handen. ‘Het was een leven van veel water, weinig slaap… en soms meer woorden dan je verdragen kunt.’ Er viel een stilte aan tafel. Dat zinnetje had iets in zich dat nieuwsgierigheid opwekte. ‘Vertel eens,’ zei Trees zacht.
Stephanus schuift zijn stoel iets naar achteren, alsof hij ruimte maakt voor het verleden dat zich aandient.
“Mijn eerste herinnering,” begint hij, “is de geur van natte touwen en roestige kettingen. Mijn vader werkte in de haven, niet als matroos, maar als sjouwer. Hij had handen als kolenschoppen en een stem die de meeuwen stil kreeg. Maar hij was zelden thuis. Mijn moeder runde een klein koffiehuis aan de Zeedijk, waar ze zeelui bediende die meer verhalen hadden dan geld.”
Hij glimlacht wrang.
“Als kind zat ik vaak onder de toog, tekende schepen op servetten. De klanten gaven me snoep of een schelp van een verre kust. Eén keer kreeg ik een munt uit Singapore. Ik wist niet eens waar dat lag, maar ik hield ’m vast alsof het een sleutel was.”
Hij neemt een slok, zijn ogen glijden langs de houten lambrisering van de kroeg.
“Op mijn twaalfde liep ik weg. Niet ver hoor, gewoon naar de kade. Ik wilde mee met een schip, de ‘Noorderlicht’. De kapitein lachte me vierkant uit, maar de bootsman—een oude Ier met een hart van leer—nam me onder zijn hoede. Liet me helpen met het schrobben van het dek. En zo begon het.”
Hij kijkt op, zijn blik doordrenkt van herinnering.
“De zee was mijn school. Ik leerde knopen leggen, sterren lezen, en hoe je een man herkent die liegt over waar hij vandaan komt. Want geloof me, iedereen liegt een beetje op zee. Zelfs ik.”
Hij zwijgt even, dan tikt hij met zijn vinger op het tafelblad.
“Maar Amsterdam bleef trekken. Elke keer als ik terugkwam, liep ik eerst naar dat koffiehuis. Mijn moeder was er niet meer, maar de geur was gebleven. En daar, in die geur, begon mijn verhaal.”
“Ja, dat gezin aan de overkant…” zegt hij, terwijl hij met zijn duim langs de rand van zijn glas strijkt. “De vader was een timmerman, altijd met zaagsel in z’n haar. De moeder had een stem als een klok, luid en helder, maar ze kon ook fluisteren als niemand anders. En dan die dochters…”
Hij glimlacht, maar er zit iets weemoedigs in.
“Aleida en Frederika. Twee zonnen in een straat vol regen. Aleida was de stilte voor de storm. Ze keek niet zomaar naar je, ze keek ín je. Alsof ze iets zag wat jij zelf nog niet wist. En ik… ik was een jongen met teveel dromen en te weinig richting. Maar bij haar voelde ik me alsof ik thuiskwam.”
Hij pauzeert even, neemt een slok, en vervolgt:
“Frederika was anders. Ze lachte makkelijk, praatte met iedereen, kon een hele kamer laten vergeten dat het buiten regende. Ze was het soort vrouw waar je mee danst, waar je mee zingt. Maar Aleida… met haar zat ik gewoon. Soms uren. Geen woord. Alleen de wind door de gordijnen en het tikken van de klok.”
Hij kijkt op, zijn ogen glanzen.
“Op een avond, vlak voor ik weer moest varen, zaten we op het dak van hun huis. De stad lag onder ons als een slapende reus. Ze gaf me een klein boekje, met lege bladzijden. ‘Voor je gedachten,’ zei ze. En ik schreef erin. Niet veel, maar genoeg om haar stem te horen als ik op zee was.”
Hij zucht, een lange, diepe zucht.
“Dat boekje heb ik nog. Het ligt in mijn kist, onder een stapel kaarten en vergeelde brieven. Soms, als de zee te stil is, haal ik het tevoorschijn. En dan hoor ik haar weer.”
En op dat moment besloot hij zijn hart te laten spreken. Op een frisse lenteavond, toen de stad nog rook naar regen, verklaarde hij Aleida zijn liefde. Zij glimlachte, gaf hem haar hand, en hij wist: dit is mijn thuishaven.
Stephanus staart naar het kaarsje op tafel, het vlammetje flakkert in de tocht van de oude kroeg. Zijn vingers rusten stil op het glas, alsof hij het vergeten is vast te houden. Dan begint hij te spreken, langzaam, alsof elk woord hem moeite kost.
“Het was mijn derde reis naar Paramaribo,” zegt hij, zijn stem schor. “We voeren uit op een ochtend waarop de stad nog sliep. Ik had Aleida die nacht ervoor niet meer gezien. Ze had gezegd dat ze moe was, dat ze even wilde nadenken. Ik dacht: laat haar.
“Maar ik wist niet wat er speelde. Niet echt. Frederika… ze was altijd vriendelijk, altijd aanwezig. Maar er zat iets in haar blik, iets wat ik toen niet begreep. Jaloezie, misschien. Of verdriet. Ze wilde ook gezien worden. En ik… ik zag alleen Aleida.”
Hij wrijft over zijn gezicht, alsof hij de herinnering wil wegvegen.
Stephanus haalt diep adem, zijn borst rijst langzaam onder het verweerde linnen van zijn overhemd. Zijn stem klinkt nu zachter, alsof hij zich richt tot iemand die er niet meer is.
“Die brief… die heb ik geschreven op een nacht toen de zee glad was als glas,” zegt hij. “We lagen stil, ergens tussen de Azoren en de horizon. De bemanning sliep, alleen de sterren waren wakker. En ik zat daar, met dat boekje van Aleida, en wist: ik moet haar de waarheid geven.”
Hij schuift het glas opzij, alsof hij ruimte maakt voor de herinnering.
“Ik schreef dat ik haar liefhad. Dat ik haar altijd zou liefhebben. Maar dat ik geen man ben voor een huis met gordijnen en een tuin. Dat ik niet kan beloven om elke avond thuis te zijn, om haar hand vast te houden als de dagen lang zijn. Want mijn leven… mijn leven is een schip dat nooit aanmeert.”
Hij kijkt op, zijn ogen glanzen.
Stephanus staart naar het vergeelde papier in zijn handen, zijn vingers trillen licht. “Ik dacht dat ze het nooit had gelezen,” zegt hij schor. “Dat ze gewoon was vertrokken, zonder afscheid. Maar toen ik jaren later terugkeerde in Harlingen, hoorde ik de waarheid.”
Hij kijkt op, zijn blik donker.
“Frederika. Zij had altijd een oog op mij. Vriendin van Aleida, zogenaamd. Maar ze kon het niet verdragen dat ik voor Aleida had gekozen. Toen ik die brief meegaf aan een matroos die naar huis ging, vertrouwde ik erop dat hij hem zou afleveren. Maar Frederika onderschepte hem. Uit pure jaloezie.”
Hij slaat met zijn vuist op de tafel, zacht maar beslist.
“Ze hield hem achter. En ze ging zelfs zo ver om Aleida te vertellen dat ik nooit iets had geschreven. Dat ik haar vergeten was. Dat ik al een ander had in Batavia.
“Toen ik terugkwam, was ze weg. Verdronken, zeiden ze. In de gracht, op een avond dat het regende en niemand haar had zien gaan. ‘Een ongeluk,’ fluisterde de buurt. Maar ik geloof daar niks van. Aleida ging niet zomaar het water in. Iemand had haar gebroken.”
Hij zucht diep, zijn stem breekt.
Hij kijkt naar het vuur, alsof hij daar antwoorden zoekt.
“Frederika dacht dat ze mij zou krijgen. Maar ze kreeg alleen mijn woede. Mijn afkeer. En ik… ik kreeg een leven vol spijt.”
“Jaren later, tijdens de begrafenis van mijn tante, ontving ik van een neef een klein pakje. Daarin zit een vergeelde, geopende envelop. De brief blijkt voor Aleida. Het was de brief die ik geschreven had”.
“Frederika stond bij de kist. Geen traan. Alleen die glimlach, die nu niets meer oplichtte. Ik heb haar nooit meer gesproken. Niet echt. Ze zei alleen: ‘Soms kiest het lot voor ons.’ En ik… ik ben weer gaan varen. Want wat moest ik anders?”
Hij zwijgt. De kroeg is stil. Alleen het tikken van de klok en het zachte gerinkel van glazen in de verte.
Er ontstond een gemurmel. Iedereen wilde nu weten wat hij níét zei. Er werd geopperd, geraden, gespeculeerd. Was “de valse” werkelijk vals, of was het een naam die ooit uit wrok geboren was?
Stephanus glimlachte slechts, dronk zijn koffie op en stond op. Hij zette zijn pet op, knikte kort naar de kring.
‘Dank voor de warmte,’ zei hij, en liep naar de deur.
Toen de deur achter hem dichtviel, bleef de leestafel achter in een mengeling van nieuwsgierigheid en onrust. Want ze wisten meer dan een uur geleden, maar minder dan ze hoopten.
Plaats een reactie