De Kast van Van Meerwijk


De kast kwam op een druilerige donderdag, met het logo van de LegeKnipKoerier nog nat op de bestelbus. Ze hadden die ochtend een woning ontruimd van een overleden man: meneer Van Meerwijk, oud-rechter, woonachtig in een statige villa net buiten het dorp. De man had geen nabestaanden. De buren spraken met eerbied over hem — belezen, precies, onberispelijk gekleed.

De kast was kolossaal. Ouderwets eiken, ingelegd met symbolen die niemand direct kon thuisbrengen. Bovenin stond met kleine messing letters gegraveerd: “Eigendom Familie L.A. Cohen, 1938.”

Jannus keek er met een ongemakkelijk gevoel naar.
“Heb jij dit gezien?” vroeg hij aan Trees.

Trees knikte. “Dat meubel hoort ergens anders thuis.”

Trees dook in archieven, kadasterkaarten en het zolderarchief van zuster Justina. Daar vond ze een vergeeld boekje: Bewaar wat van waarde is – Kringen van bezit in oorlogstijd. En daarin: de naam Van Meerwijk. In 1942 had hij als ambtenaar Joodse woningen geregistreerd voor ‘herbestemming’. De kast, misschien zelfs de hele villa, was ooit onteigend.

Een moreel dilemma drong zich op. Juridisch lag de zaak stil. Maar ethisch? Kon je zo’n kast zomaar tussen het tweedehands servies en de puzzels zetten?

Tijdens een spoedoverleg schoof ook de burgemeester aan.

“Wat als we haar tonen,” stelde ze voor, “niet als koopwaar, maar als herinnering? Als tastbare schaduw van een geschiedenis die nog steeds meeloopt?”

Zuster Justina fluisterde: “Vergeven begint met erkennen.”

Trees knikte. “Dan wordt die kast misschien alsnog… iets goeds.”

Zo werd de kast verplaatst naar het voormalige handvaardigheidlokaal. Tegenwoordig: De Kamer van Herkomst.
Op een paneel stond:

Deze kast werd in 1942 onteigend van de familie Cohen.
Via het huis van een collaborerende ambtenaar kwam zij recent bij De Lege Knip.
We tonen haar hier — niet als koopwaar, maar als getuige van een verleden
dat ook in tweedehands leeft.

Op zaterdagmiddag kwamen twintig mensen bijeen. In een kring. Met koffie, kruidkoek, en stilte.

Trees las een passage van Ida Simons, over hoe het verlies van een huis ook het verlies van een stem is. Daarna vertelde Jannus, op zijn droogkomische manier:

“Alles netjes achtergelaten. Zelfs de kattenbak. Maar geen enkel spoor van familie. Alleen die kast. Ze leek… te wachten.”

Iemand vroeg: “Moet zoiets niet naar een museum?”

De burgemeester zat er ook, net als Wilma Netten, zuster Justina, en enkele klanten die al jaren vaste bezoekers waren. Iemand vroeg zacht:
“Is het niet beter zoiets aan een museum te geven?”

Trees antwoordde: “We hebben contact gezocht met het Joods Historisch Museum. Ze zeiden: ‘Soms is bewaren op dorpsniveau juist krachtiger.’ Dat raakte me.”

Zuster Justina zei iets over barmhartigheid en waarheid. En Jannus, die zich zelden mengde in ethiek, besloot met: “Spullen zijn net mensen. Sommige moet je laten spreken, ook als het pijn doet.”

Aan het eind was er overeenstemming: De Kamer van Herkomst zou blijven. Als vaste plek voor spullen die meer zijn dan spullen. Die verhalen dragen. Waar herinnering, ongemak en erkenning samenkomen — niet in stilte, maar in gesprek.


Ontdek meer van Mijn korte verhalen

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Plaats een reactie

Ontdek meer van Mijn korte verhalen

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder