
De regen had het dorp inmiddels verlaten, maar binnen in De Lege Knip was het onweer pas begonnen. De kringlooplucht hing zwaar in de ruimte, vermengd met de geur van thermoskannen thee en de spanning van een avond die geen gewone discussie zou worden.
De stoelen stonden in een halve cirkel, zoals altijd. Maar deze keer hing er iets in de lucht. Geen koekjes op tafel, geen gegrinnik in de hoek. Alleen stilte, geladen met verwachting. Trees, de onverzettelijke spil van De Lege Knip, stond op. In haar hand een vergeeld krantenknipsel — een echo uit Trouw, waarin marktwerking nog werd bezongen als de redding van de publieke zaak. Maar die lofzang klonk nu vals. De belofte was gebroken.
Jannus, ooit onderwijzer, nu de gewetensstem van de kring, nam het woord. Zijn stem sneed door de ruimte als een klokslag:
“Het gaat allang niet meer om geld. Het gaat om bestaanszekerheid. Als je geen grip meer hebt op je water, je zorg, je energie — wat ben je dan nog? Een klant? Een nummer? Geen burger meer.
Privatiseren, zeiden ze, was vooruitgang. Maar wat ze bedoelden was: vooruitgang voor aandeelhouders. Achteruitgang voor ons.”
Willem kuchte nog eens, zijn blik strak op het vergeelde tapijt.
“Ik heb het zien gebeuren,” herhaalde hij, zachter nu, alsof hij door de tijd heen sprak. “Eerst kwamen de mooie woorden. Efficiëntie. Concurrentie. Klantgericht. Alsof we een winkel waren.”
Hij leunde voorover, handen gevouwen.
“Toen kwamen de ontslagen. Niet ineens, hoor. Eerst de tijdelijke contracten die niet verlengd werden. Toen de reorganisaties. Mensen met twintig jaar dienst, ineens ‘overbodig’. En de rest? Die moesten harder lopen, met minder middelen.”
De kring luisterde ademloos. Trees knikte langzaam. Jannus had zijn ogen gesloten.
“En nu?” Willem’s stem trilde. “Treinen die uitvallen omdat er te weinig monteurs zijn. Conducteurs die hun pauzes overslaan. Prijzen die stijgen, terwijl de service daalt. En collega’s… mensen die ooit trots waren op hun werk… die hun waardigheid verloren. Omdat ze geen tijd meer kregen om een reiziger te helpen. Omdat ze werden afgerekend op cijfers, niet op zorg.”
Hij zweeg even.
“We waren geen spoorwegmensen meer. We werden KPI’s. Grafiekjes in een kwartaalrapport.”
Willem haalde diep adem. Zijn handen rustten op zijn knieën, de vingers licht trillend.
“Ik begon bij de NS in ’78. Toen was het nog een dienst. Een publieke dienst. We reden niet voor winst, we reden voor mensen. Een vertraagde trein was een probleem, niet een KPI. En als een reiziger viel, dan stopte je. Punt.”
Hij keek op, zijn ogen glansden.
“Toen kwamen de adviseurs. De consultants. Ze kwamen niet met olie voor de motoren, maar met spreadsheets. Ze zeiden: ‘Efficiëntie’. Ze zeiden: ‘Concurrentie’. Maar wat ze bedoelden was: snijden. In mensen. In tijd. In zorg.”
Hij sloeg zijn handen ineen, zacht.
“Ik heb collega’s zien verdwijnen. Eerst de schoonmakers — uitbesteed. Toen de werkplaatsen — geprivatiseerd. En toen de mensen. Mensen die hun hele leven op het spoor hadden gestaan. Die wisten hoe je een wagon hoorde ademen. Weg. Omdat ze ‘te duur’ waren.”
De kring was stil. Alleen het tikken van een oude klok in de hoek.
“En nu?” Willem’s stem werd rauw. “Treinen vallen uit omdat er niemand meer is die ze écht kent. Reizigers betalen meer, maar krijgen minder. En wij? Wij zijn geen spoorwegmensen meer. We zijn ‘resources’. We zijn ‘flexibel inzetbaar’. Maar we zijn ook moe. En leeg.”
Hij keek naar Trees, naar Jannus, naar de kring.
“We hebben iets verloren. Niet alleen banen. Niet alleen geld. We zijn iets kwijtgeraakt wat geen spreadsheet ooit zal terugbrengen: trots. Verbinding. Zin.”
Sonny stond op. Jong, met een jas die net iets te dun was voor de kou, maar zijn blik was warm. Hij keek niet naar de vloer, maar recht de kring in. Zijn stem was zacht, maar droeg verder dan volume ooit zou kunnen.
“Als de overheid zich terugtrekt, wie beschermt ons dan nog?”
Hij liet de woorden even hangen. Niet als een retorische vraag, maar als een echo van iets dat hij zelf had gevoeld.
“Ik ben opgegroeid in een wijk waar de speeltuin werd onderhouden door de gemeente. Waar de buurtsportcoach je kende bij naam. Waar de bibliotheek open was tot acht uur, en je daar niet alleen boeken vond, maar rust. Toen dat verdween, verdween er iets uit onze buurt. Niet alleen voorzieningen. Maar vertrouwen.”
Hij haalde diep adem.
“Ze zeggen dat de markt het beter kan. Maar ik heb nog nooit een aandeelhouder een voetbalveld zien aanleggen. Ik heb nog nooit een multinational een buurthuis zien runnen. Wat ik wel heb gezien? “Mijn moeder kreeg vorige maand een brief van haar energieleverancier,” begon hij. “Budget Thuis. Haar tarief ging van 22 cent per kilowattuur naar 48. Gewoon, pats boem. Geen uitleg, geen overleg. Ze belde — zat drie kwartier in de wacht. En toen kreeg ze iemand aan de lijn die zei: ‘Dat is de markt, mevrouw.’ De markt.”
Hij keek op, zijn ogen fel.
“En mijn broer? Die zit in de GGZ. Hij had een intake nodig, dringend. Maar bij VGZ kwam hij in een callcenter terecht. Eerst een keuzemenu, dan een medewerker die zei dat hij moest terugbellen op dinsdag. Dinsdag! Alsof paniek zich aan agenda’s houdt.”
De kring luisterde. Sommigen knikten. Anderen keken naar hun handen.
“En dan hoor je dat het dividend van die bedrijven naar Londen gaat. Naar Singapore. Naar mensen die niet weten waar Oisterwijk ligt. Die niet weten wat het is om je moeder te zien stressen over de energierekening. Of je broer te zien wachten op hulp die maar niet komt.”
Hij haalde adem, zijn stem trilde even, maar brak niet.
“Ik wil dat mijn geld naar publieke diensten gaat. Naar mensen die werken voor ons, niet voor aandeelhouders. Naar leraren, naar zorgverleners, naar de buurtsportcoach die mij vroeger uit de shit haalde. Want als de overheid zich terugtrekt, wie beschermt ons dan nog?”
Er viel een stilte. Geen lege stilte, maar een geladen moment. Sonny ging weer zitten. En Trees pakte zijn hand, zachtjes. De kring was weer een kring. Maar nu met een vonk.
Naar plekken waar onze stem niets betekent.”
Sonny keek naar Trees, naar Willem, naar Annemiek.
“Ik wil dat mijn geld naar publieke diensten gaat. Naar dingen die van ons zijn. Naar leraren, naar verpleegkundigen, naar mensen die niet werken voor winst, maar voor waarde. Want als we dat niet meer doen — als we alles overlaten aan de markt — dan verliezen we niet alleen zeggenschap. Dan verliezen we elkaar.”
Er viel een stilte. Geen ongemakkelijke, maar een geladen stilte. De kring voelde het: dit was geen naïef idealisme. Dit was een herinnering aan hoe het ooit was — en een visie op hoe het weer zou kunnen zijn.
Annemiek, een zorgmedewerker met een bezorgde blik, voegde toe: “Wij moesten winst draaien. Minder personeel, minder tijd voor mensen. Dat breekt je. In Noorwegen hebben ze het teruggedraaid. Dáár snappen ze het: zorg is geen product. Het is een recht.”
Toen Sonny was uitgesproken, bleef het stil. Niet uit ongemak, maar uit iets groters. Iets dat borrelde. Trees zat rechtop, haar handen gevouwen, haar ogen op het midden van de kring. En toen stond ze op.
Ze liep naar het bureau in de hoek, trok de lade open, en haalde een leeg vel papier tevoorschijn. Geen krantenartikel. Geen voorbereide tekst. Gewoon wit. Onbeschreven.
Ze legde het midden in de kring, op de grond. “We gaan het nu schrijven,” zei ze. “Niet morgen. Niet met een werkgroep. Nu.”
Ze pakte een stift. Schreef bovenaan:
Aanklacht tegen de Regering
En toen keek ze op. “Wie begint?”
Sonny boog zich voorover. “Schrijf maar: ‘Mijn moeder kreeg een brief van Budget Thuis. Haar tarief ging van 22 naar 48 cent. Zonder uitleg. Zonder overleg.’”
Willem schoof zijn stoel naar voren. “En: ‘Mijn buurthuis sloot. Mijn kinderen hebben geen plek meer om te spelen. De sportcoach is weg. De bibliotheek is dicht.’”
Annemiek pakte de stift over. “En: ‘Zorgverzekeraars sturen je van keuzemenu naar wachttijd. Terwijl je paniek hebt. Terwijl je hulp nodig hebt.’”
Het vel vulde zich. Niet met beleidsjargon, maar met zinnen die bloedden. Die leefden. Die niet waren bedacht — maar geboren.
Wij, burgers verenigd in De Lege Knip, dienen hierbij een aanklacht in tegen het structureel gevoerde beleid van privatisering, deregulering en marktgericht bestuur.
Wij stellen dat:
• De rechtse politiek van de afgelopen decennia onze publieke infrastructuur heeft uitgehold.
• Basisvoorzieningen zijn verkwanseld aan commerciële belangen.
• Gemeenten en burgers hun zeggenschap zijn kwijtgeraakt.
Wij eisen:
• De onmiddellijke stopzetting van verdere privatiseringen.
• Een parlementair onderzoek naar de maatschappelijke schade van het gevoerde beleid.
• De hernationalisatie van essentiële diensten: water, energie, zorg en openbaar vervoer.
Wij herinneren u eraan: u bent gekozen om het volk te dienen, niet de markt.
Hoogachtend,
De gemeenschap van De Lege Knip.”
Jannus las de conceptbrief hardop voor, zijn stem trilde niet. Hij was de stem van duizenden. Sonny hing de brief op aan de muur, onder een bord waarop stond: “Wat van ons is, blijft van ons.” De burgemeester knikte instemmend. “Ik neem deze brief, als hij netjes herschreven is, mee. Maar ik doe meer. Ik zal hem niet alleen overhandigen — ik zal hem verdedigen. Want dit is geen lokaal probleem. Dit is een nationale schande.”
Er ontstond geroezemoes, maar geen twijfel — alleen energie. Mensen begonnen te praten over acties: een demonstratie bij het gemeentehuis, een petitie, een burgerinitiatief. Flyers werden ontworpen, contactlijsten opgesteld. De Lege Knip veranderde in een commandocentrum.
Annemiek schreef op een groot vel papier:
DEPRIVATISEREN = HERSTELLEN VAN WAARDIGHEID.
En toen, alsof het zo moest zijn, begon iemand te zingen. Een oud strijdlied, zachtjes aan. Anderen vielen in, niet als een koor, maar als een echo van verzet die de ruimte vulde met hoop en vastberadenheid.
Plaats een reactie