No. 97 Bezoek met een strik


In de plaatselijke én enkele regionale kranten verschenen de laatste tijd regelmatig artikelen over de activiteiten van de Lege Knip. Dat deze ook goed gelezen worden, blijkt wel uit de toename van het aantal bezoekers. Steeds vaker komen er mensen binnen die je niet direct tot de vaste doelgroep van de kringloopwinkel of de inloopkamer zou rekenen. Soms is er iemand gewoon nieuwsgierig of er nog iets van waarde of antiek te vinden is. Toch kiest het sociale karakter van de Lege Knip als vanzelf zijn eigen doelgroep – precies waarvoor de hele onderneming bedoeld is.

De keren dat er iemand in een strak pak en met een das de Lege Knip binnenloopt, zijn op één hand te tellen. Vaak gaat het dan om een ambtenaar van de gemeente, meestal al wat ouder. Want ook ambtenaren gaan met de tijd mee en dragen zelden nog een das. Jannus zei er eens veelbetekenend over: “Als er een strik binnenstapt, moet je opletten.” Meer uitleg gaf hij niet.

Het was een gewone zaterdagmiddag in de Lege Knip. Het geroezemoes van klanten die snuffelden tussen stapels boeken, servies en jassen vulde de ruimte. Net toen Trees een vrouw uitleg gaf over de nieuwe luisterhoek, viel er een stilte bij de deur.

Daar stond hij: een man in een donkerblauw pak, schoenen glimmend gepoetst, een krant onder zijn arm. Het viel iedereen op. De meesten bleven net iets te lang kijken, alsof ze wilden zeggen: wat komt híj hier doen?

Jannus, die achterin dozen zat uit te pakken, stak zijn hoofd omhoog en fluisterde half spottend:
‘Daar heb je d’r eentje, Trees. Een strik. Opletten nu.’

De man liep recht op de toonbank af, groette kort en liet zijn blik langzaam door de ruimte gaan. Hij leek niet te kijken naar de stoelen of de schilderijen, maar eerder naar de mensen.

‘Goedemiddag,’ zei hij, zijn stem netjes en afgemeten. ‘Ik ben Eddy Waalkens  en op zoek naar… eigenlijk naar jullie.’

Trees fronste. ‘Naar ons?’

De man knikte langzaam, alsof hij zijn woorden zorgvuldig afwoog.

“Ik ben hier niet voor spullen. Ik ben hier voor verhalen. Voor mensen die weten wat het is om iets kwijt te raken — en toch door te gaan.”

Trees trok haar wenkbrauwen op. Achter haar zette de vrouw bij de luisterhoek haar koptelefoon af, alsof ze iets belangrijks miste. Jannus stond inmiddels rechtop, zijn handen nog vol met een stapel vergeelde paperbacks.

“Uhm… meneer Eddy,” begon Trees, “dit is een kringloopwinkel. En een aanloophuis. We zijn ook een beetje een museum.”

De man glimlachte flauwtjes. Niet arrogant, maar vermoeid.

“Ik weet het. Maar ik ben al maanden op zoek naar een plek waar mensen niet doen alsof. Waar het leven niet verpakt is in marketing en marmer”.

“Wat ik bezit en hoe ik er uit zie, is het masker dat ik draag om niet te breken, maar heeft me niet gebracht wat ik zocht. Misschien vind ik het hier.”

Hij keek rond. Zijn blik bleef hangen bij een jongen die op een versleten bank zat te tekenen in een schrift zonder kaft. Bij een vrouw die haar jas dichtknoopte alsof ze zich tegen meer dan kou moest beschermen.

“Ik werk al jaren in een wereld waar alles draait om rendement. Maar ik ben mijn broer verloren aan dakloosheid. Mijn moeder aan bureaucratie. En mezelf… ergens onderweg.”

Trees schonk hem een kop koffie in, haar blik nog steeds onderzoekend. Eddy nam het kopje aan, maar dronk niet.

Hij keek haar aan, niet om medelijden te vragen, maar om te zien of ze het begreep.

 “Ik dacht dat ik alles goed deed,” zei hij, zonder op te kijken. “Studie, carrière, pensioenplan. Ik had het rijtje afgevinkt. Diploma, promotie, hypotheek. Alles volgens de regels.”

Trees zat tegenover hem, haar blik rustig, haar houding open.

“Maar ik heb nooit geleerd hoe je blijft,” vervolgde hij. “Hoe je blijft als alles om je heen verdwijnt. Als je broer ineens niet meer terugbelt. Als je moeder verdwijnt in een systeem dat haar niet meer ziet. Als je eigen stem langzaam verdampt tussen spreadsheets en vergaderingen.”

“Nu heb ik mijn ontslag aangevraagd om niet meer te verdrinken in de regels, voor ik me zelf verlies, ook als dat betekent dat je alles loslaat wat je ooit zekerheid noemde.” Trees keek hem aan, haar vingers rustend op de rand van haar kopje. “Ik weet niet wat er nu komt,” zei hij zacht. “Geen plan, geen structuur. Alleen stilte. En misschien… ruimte.” Hij haalde diep adem, alsof hij voor het eerst sinds jaren zijn longen helemaal durfde te vullen.

Trees liet haar blik even rusten op de stoom die uit haar kopje kringelde. Ze zei niets, maar haar aanwezigheid vulde de ruimte met iets zachts, iets stevigs.

“Ruimte is eng,” zei ze uiteindelijk. “Maar ook nodig. Je kunt jezelf niet terugvinden in een hokje dat voor iemand anders gebouwd is.”

Eddy knikte langzaam. “Ik weet niet eens meer wie ik was, voor al die schema’s en verantwoordelijkheden. Misschien moet ik dat eerst maar eens uitzoeken.”

Trees glimlachte flauwtjes. “Misschien hoef je het niet uit te zoeken. Misschien mag je het gewoon opnieuw verzinnen.”

Hij keek haar aan, verrast door de eenvoud van haar woorden. Alsof het leven niet per se een puzzel was, maar eerder een leeg canvas.

“Opnieuw verzinnen…” herhaalde hij. “Dat klinkt… alsof ik iets mag maken, in plaats van iets te herstellen.”

Buiten begon het zachtjes te regenen. De stad leek even stil te staan, alsof ze luisterde.


Ontdek meer van Mijn korte verhalen

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Plaats een reactie

Ontdek meer van Mijn korte verhalen

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder