No. 110 Consumeren of dienen


Het was donderdagavond. In De Lege Knip zaten een tiental mensen bij elkaar voor de wekelijkse discussieavond. De stoelen stonden in een kring, de koffiepot stond dampend op tafel, en de sfeer was verwachtingsvol maar gemoedelijk.

De deur ging open en een man kwam binnen. Hij was in de vijftig, had een sportieve uitstraling en droeg nog de glans van iemand die gewend was veel buiten te bewegen.

Trees stond op en glimlachte.
“Jazeker. Kom erbij, we zijn net begonnen. Ik ben Trees, dit is Jannus, en dit,” ze wees de kring rond, “zijn buurtgenoten, vrijwilligers en belangstellenden. Fijn dat u er bent.”

De man knikte, schoof een stoel naar achter en nam rustig plaats. Hij legde zijn pet op zijn schoot en luisterde aandachtig naar het gesprek dat al gaande was.

Jannus kuchte even en zei: “Het onderwerp dat ik vanavond wilde aansnijden, is de rol van vrijwilligers in de maatschappij. Zonder vrijwilligers zou veel stilvallen—verenigingen, buurthuizen, zelfs een plek als De Lege Knip. Maar hoe zorgen we dat meer mensen zich verantwoordelijk voelen?”

Op dat moment boog de nieuwkomer zich iets naar voren. Zijn stem klonk helder en vastberaden.
“Ik… mijn naam is Kees,” stelde hij zich voor. “En misschien mag ik daar wat over vertellen. Want ik heb zelf iets meegemaakt dat precies hierover gaat.”

De kring richtte zich naar hem toe. Je kon aan de gespannen stilte merken dat iedereen benieuwd was naar zijn verhaal.

Kees haalde diep adem, alsof hij zich schrap zette.
“Ik ben wielrenner, al jarenlang. Fanatiek. Drie keer per week stap ik op de fiets, meestal met een groep mannen van mijn leeftijd. Het begon als sport, maar het werd ook vriendschap. En via hen kwam ik terecht bij een toerclub…”

Velen van die mannen waren lid van een toerclub in de stad. Ze spraken me er vaak op aan: ‘Kees, kom nou ook bij ons. Het is gezellig, je bent verzekerd via de bond, en we organiseren prachtige tochten.’ Ik hield eerst de boot af, maar uiteindelijk ben ik toch lid geworden. En eerlijk gezegd, ik vond het geweldig. Voor ik het wist zat ik in de toercommissie—het groepje dat verantwoordelijk was voor de jaarlijkse toertocht. Een groot evenement, met honderden deelnemers.”

Hij glimlachte even, alsof hij weer langs de velden reed. “Het eerste jaar keek ik vooral mee. Het tweede jaar kreeg ik de leiding over de commissie. Routes uitstippelen, sponsors zoeken, afspraken maken met de bond. En ja, het gaf energie. Vooral toen de voorinschrijvingen weer ruim boven de duizend uitkwamen.”

Zijn gezicht betrok. “Maar toen kwam het vrijwilligerswerk. Zoals ieder jaar moesten de routes uitgezet en gepijld worden. Je zou denken dat de mannen met wie ik al die kilometers had gereden, zich zouden melden. Vrienden, dacht ik. Maten. Maar tot mijn verbazing liet juist die groep verstek gaan. Zelfs degenen die ruimschoots tijd hadden, deden niets. Terwijl anderen—drukke leden met werk en gezin—wél kwamen helpen. Dat zette me aan het denken.”

Hij keek de kring indringend aan. “En dáár wringt het. Hoeveel mensen in een vereniging, of breder nog in een gemeenschap, voelen zich echt betrokken? Hoeveel zijn bereid om niet alleen te nemen, maar ook te geven? Te doen? Ik ontdekte dat er twee soorten leden zijn: de consumenten en de doeners. De eersten genieten mee, de laatsten dragen de kar. En zonder die doeners, zonder vrijwilligers, valt alles in elkaar.”

Kees zweeg even en leunde achterover. “Het viel me zwaar, moet ik zeggen. Want ik zag ineens hoe scheef de balans soms is. Maar ik besefte ook: de echte waarde van een vereniging, van een gemeenschap, ligt bij die kleine groep die wel de schouders eronder zet. Zij houden alles overeind. De vraag is: hoe krijgen we meer mensen zover dat ze die stap ook zetten?”

De kring bleef stil, alsof de woorden nog moesten landen. Pas na een paar tellen zei Jannus: “Dat is een vraag die groter is dan een toerclub. Dat gaat over hoe we samen leven.”

Na Kees’ woorden bleef het even stil. Alsof iedereen het beeld van die fietsende mannen voor zich zag: de wind in het gezicht, de vriendschap onderweg, maar dan de leegte wanneer er écht iets moest gebeuren.

Trees haalde diep adem en boog iets naar voren.
“Wat jij vertelt, Kees, dat herken ik maar al te goed. Hier in De Lege Knip zien we hetzelfde. Mensen komen graag binnen: voor warmte, koffie, een praatje of een boek. En dat is prachtig, want daar doen we het voor. Maar wie zet ’s ochtends de stoelen klaar, wie haalt na sluitingstijd de dweil door de gang? Dat zijn altijd dezelfde handen. En soms vraag ik me af: zien mensen wel dat die kleine dingen niet vanzelf gaan?”

Er klonk instemmend gemompel in de kring.

Jannus nam het woord, zijn stem bedachtzaam.
“Misschien zit er iets diepers achter,” zei hij. “We zijn in dit land zo gewend geraakt dat alles geregeld is. Gemeenten, instanties, organisaties—overal zijn structuren. Daardoor denken mensen: ‘het gebeurt toch wel’. Maar wat is een gemeenschap waard als de meesten alleen consumeren, terwijl een enkeling de kar trekt? Het doet me denken aan een tandemfiets waarop vijf mensen zitten. Twee trappen, drie laten zich meefietsen. Hoe lang houd je dat vol?”

Een glimlach ging door de kring om zijn beeldspraak, maar de ernst van zijn woorden bleef hangen.

Marijke, een oudere vrouw met grijs haar en een warme blik, hief haar hand op.
“Ik heb jarenlang in de wijkvereniging gezeten,” zei ze. “Toen we begonnen waren we met vijftien vrijwilligers, later nog maar zes. En de activiteiten? Die werden alleen maar meer gevraagd. Mensen kwamen graag, maar vroegen nooit: kan ik helpen? Uiteindelijk hielden we het niet vol. Niet door geldgebrek, maar door mensengebrek.”

Kees keek haar met begrip aan.

Toen sprak Ahmed, een jonge vader die al vaker was komen luisteren, maar nog niet vaak had meegepraat.
“Ik wil er wel iets tegenin brengen,” zei hij voorzichtig. “Mensen wíllen soms wel helpen, maar de drempel is hoog. Je moet precies weten wat er verwacht wordt, of je moet meteen veel tijd vrijmaken. Voor jonge gezinnen is dat lastig. Misschien ligt het niet alleen aan onwil, maar ook aan hoe je het vrijwilligerswerk organiseert. Als het laagdrempelig is, haken er meer aan.”

Peter, die verantwoordelijk was voor de audiohoek, knikte fel.
“Daar ben ik het mee eens. Veel mensen denken dat je een heldendaad moet verrichten om vrijwilliger te zijn. Maar al een uurtje per week kan verschil maken. Alleen moet je dat steeds blijven benadrukken: elke kleine bijdrage telt.”

Er viel een korte stilte. Je kon bijna horen hoe iedereen de woorden tegen zijn eigen ervaringen legde.

Toen sprak Trees opnieuw, zacht maar vastberaden.
“Misschien moeten wij hier, in De Lege Knip, het goede voorbeeld geven. Niet alleen zeggen dat vrijwilligers belangrijk zijn, maar ook laten zien hoe we iedereen kunnen meenemen. Misschien door taken heel klein te maken. Of door bezoekers uit te nodigen om gewoon eens een keertje mee te helpen met iets eenvoudigs. Dan groeit het vanzelf.”

Jannus knikte. “En misschien moeten we ook durven benoemen dat een gemeenschap niet vanzelf draait. Dat het waardevol is om iets te geven, al is het maar een klein beetje. Want zonder geven is er ook geen krijgen.”

Kees keek rond, zichtbaar opgelucht dat zijn verhaal niet alleen gehoord, maar ook herkend werd.
“Precies,” zei hij. “Dat is waar ik op hoopte: dat we dit niet zien als een probleem van een toerclub of een kringloop, maar als een groter vraagstuk. En dat we samen zoeken naar manieren om de balans tussen consumenten en doeners weer wat rechter te trekken.”

Langzaam ontspande de kring zich. Iemand schonk nog een kop koffie in, er werd zacht gelachen, en het gesprek kreeg weer lucht. Maar onder alles bleef dat gevoel hangen: dit ging ergens over.


Ontdek meer van Mijn korte verhalen

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Reacties op “No. 110 Consumeren of dienen”

  1. marieclaire Avatar

    Onze maatschappij draait op vrijwilligers.

    Geliked door 1 persoon

  2. Suskeblogt Avatar

    Iedere helpende hand is welkom, ook al is het maar voor een uur ofzo.

    Geliked door 1 persoon

  3. Rianne Avatar

    Zo belangrijk die vrijwilligers…En err zullen altijd doeners zijn, en degene die het wel goed vinden en maar mee hobbelen. Ik hoor bij de doeners en dat schenkt mij voldoening,

    Geliked door 1 persoon

Plaats een reactie

Ontdek meer van Mijn korte verhalen

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder