
De realiteit van het congres op 21 juni liet inderdaad zien dat de fusie tussen GroenLinks en de PvdA niet zonder wrijving verloopt. Vooral het debat over het wapenembargo tegen Israël bracht diepe verschillen aan het licht tussen de meer activistische GroenLinks-achterban en de traditioneel sociaaldemocratische PvdA-leden
Oudgedienden als Job Cohen, Lodewijk Asscher en Gerdi Verbeet probeerden via moties de koers van de nieuwe fractie bij te sturen, maar kregen nauwelijks steun. Zo’n 80% van de congresgangers schaarde zich achter de motie van Kati Piri voor een volledig wapenembargo
Dat leidde tot zichtbaar verdriet bij prominenten als Verbeet, en tot frustratie bij leden die zich niet meer herkennen in de nieuwe koers.
Rob Oudkerk, voormalig PvdA-Kamerlid, is een van de felste critici van de fusie. Hij noemde het proces een “Noord-Koreaanse procedure” en waarschuwde voor botsende partijculturen: het pragmatisme van de PvdA versus het activisme van GroenLinks.
Oudkerk is betrokken bij het initiatief Rood Vooruit, dat zich verzet tegen de fusie en pleit voor het behoud van een zelfstandige sociaaldemocratische partij.
Of dit daadwerkelijk leidt tot een afsplitsing of nieuwe partij is nog onduidelijk. Maar de kans is reëel dat een deel van de oude PvdA-achterban zich niet thuis zal voelen in de nieuwe fusiepartij. Sommigen zullen afhaken, anderen—zoals Oudkerk—kunnen proberen een alternatief op te bouwen. De komende maanden zullen uitwijzen of Rood Vooruit meer wordt dan een protestbeweging.
Het Rode Restant
Het congres was nog maar net afgelopen of de gesprekken in de foyer waren al venijniger dan de speeches op het podium. Tussen de overgebleven koppen koffie en afkoelende bitterballen stond Henk van Doorn, oud-wethouder en PvdA-lid sinds de tijd dat Den Uyl nog in zwart-wit op televisie verscheen. Zijn blik was dof, maar vastberaden.
“Ze hebben het rood weggeschoven voor groen applaus,” zei hij zachtjes, terwijl hij zijn das losser maakte. Niemand antwoordde direct, maar het groepje om hem heen—voormalige bestuurders, kaderleden, vakbondsveteranen—knikte langzaam.
Onder hen zat Fatima Belhadi, ooit jong raadslid in de jaren negentig, nu beleidsadviseur en lid van het kritische platform Rood Vooruit. “We hebben geprobeerd binnen de partij te blijven. Moties ingediend, debatten gevoerd,” zei ze, “maar vandaag heeft ons geleerd: deze fusiepartij wordt geen huis voor ons. Het wordt een showroom voor postmodern progressief Nederland.”
Die avond, in een vergaderruimte in Amersfoort, ontstond er iets. Geen partij nog. Geen logo. Maar wel een naam die rondging als een gefluisterde belofte: De Rode Kamer. Niet nostalgisch, maar principieel. Geen anti-fusiebeweging, maar een nieuwe poging om de klassieke sociaaldemocratie te redden van de vergetelheid.
Ze schreven op whiteboards termen als verzorgingsstaat 3.0, kansen voor iedereen, werk boven woorden. Ze wilden terug naar beleid dat de levens van mensen veranderde—niet naar tweetbare idealen of symbolische politiek.
“Geen dogma’s,” zei Henk. “Maar ook geen stem meer verliezen aan partijen die onze taal niet meer spreken.”
Op de achtergrond klonk het nieuws: Timmermans noemde de congresuitslag “historisch”. Dat was het misschien ook. Alleen niet in de betekenis die hij bedoelde.
Plaats een reactie