No. 146 De Lege Knip Moppenbar


In het dorp was het de laatste dagen onrustig. Niet vanwege een dorpsfeest, een verdwenen duif of een conflict over het kerkplein — maar vanwege de straten. Die lagen open. Alweer.

Een paar maanden eerder waren ze ook al open geweest, toen het riool vernieuwd moest worden. Toen had men nog gezegd: “Nu zijn we er voorlopig vanaf.” Maar nu was het de bestrating. Nieuwe klinkers, betere afwatering, en volgens de gemeente “een toekomstbestendige inrichting van de openbare ruimte.”

Voor de dorpsbewoners betekende het vooral: omrijden. Om naar het werk te komen, om bij de bakker te geraken, of om überhaupt nog te weten waar de stoep ophield en de zandbak begon.

Jaap en Kobus, buren sinds de tijd dat de melk nog werd opgehaald met een kar, waren er klaar mee. Ze waren naar het gemeentehuis gegaan, op klompen en met een map vol foto’s van omleidingsborden. Daar kregen ze de verantwoordelijke ambtenaar niet te spreken. “In overleg,” zei de receptioniste. “Al drie dagen,” zei Jaap.

De burgemeester had hen uiteindelijk te woord gestaan. Ze sprak van een “communicatiestoornis tussen de uitvoerders,” en dat “de afspraken niet goed op elkaar afgestemd waren.” Maar het was te laat om nog iets te veranderen. Ze hoopte alleen dat de renovatie nu snel klaar zou zijn, zodat iedereen weer z’n gewone weg kon gaan.

Jaap en Kobus waren niet overtuigd. “We hebben schade,” zei Kobus. “Mijn heg is vergruisd door een graafmachine.” “En mijn vrouw is drie keer omgereden naar de supermarkt en kwam telkens uit bij de viskraam,” zei Jaap.

Ze hadden zelfs overwogen om contact op te nemen met Mr. Frank Visser van de televisie. “Dat zou mooi in De Lege Knip gehouden kunnen worden,” zei Kobus. “Met camera’s, getuigen en een reconstructie.”

Maar Trees had al gezegd: “Tegen de tijd dat dat geregeld is, liggen de straten er alweer bij alsof er nooit iets gebeurd is.” Jannus bromde: “En dan komt er weer een plan voor ondergrondse glasvezel.”

Dus besloten Jaap en Kobus om het dorpsplein op te gaan, met krijtstrepen en een bord: “Hier begint de omweg. En eindigt het geduld.”

En in De Lege Knip werd die avond gefluisterd:

“De ware Jacob zou dit anders hebben aangepakt.”

Trees knikte. “Die zou geen klacht indienen, maar een stoeptegel verleggen. En dan zwijgen.”

Kobus was er ooit geweest, lang geleden, toen De Lege Knip nog gewoon een kringloopwinkel was. Een plek waar je tussen vergeelde encyclopedieën en schemerlampen met rafelige kappen soms een herinnering vond die je niet wist dat je kwijt was. Hij had er toen een thermoskan gekocht, en een schilderijtje van een molen dat later scheef bleek te hangen, maar precies goed scheef.

Maar nu, jaren later, was hij er weer — niet voor een thermoskan, maar voor overleg. En wat hij zag, verraste hem. De Lege Knip was veranderd. Geen kringloop meer, maar een dorpshart. Stamtafels, leeshoekjes, een prikbord dat leefde, en koffie die niet alleen warm was, maar ook troost bood.

Op een middag besloot hij: Ik loop gewoon eens binnen. Niet als klager, niet als buurman-met-een-punt, maar als dorpsmens. En toen hij de deur opende, klonk het geroezemoes van gesprekken die al begonnen waren voordat iemand ze uitsprak.

Aan de leestafel zat Trees, met haar servet en haar geheugen. Jannus was bezig met het rechtzetten van een stoel die volgens hem “net uit de pas liep.” Toon van Gils had net een mop verteld die niemand begreep, maar iedereen deed alsof hij grappig was.

Kobus werd herkend. Niet als nieuwkomer, maar als terugkomer.

“Kijk eens aan,” zei Trees, “de kringloopman is terug.”

“En zonder thermoskan,” voegde Jannus toe. “Maar met dorst,” zei Kobus, en hij nam plaats.

Hij keek naar de lege stoel bij de stamtafel — die ene stoel die nooit echt leeg was. Daar zat hij misschien wel,dacht Kobus, de ware Jacob. Want zijn eigen naam, Jacobus, droeg iets mee. Niet als claim, maar als echo.

Er werd geschoven, gegroet en gelachen. De koffie dampte, de servetten lagen klaar, en de liniaal op de vensterbank lag er bij alsof hij elk moment een grens kon aanwijzen — of juist laten vervagen.

Toon van Gils tuurde naar Kobus. “Ik zie in u een bekend gezicht, maar even niet waarvan.” Kobus glimlachte. “Dat zou best kunnen, beste man. Als er iets in het dorp aan de hand is, wil ik daar het juiste van weten. Net als met die wegopbrekingen de laatste weken. Toen heb ik met de buurman wel even op de pot gespeeld op het gemeentehuis.”

Toon knikte. “Ik ben Toon, Toon van Gils. Ze zeggen hier weleens: de grappenmakker.” Aan tafel begon men te lachen. Niet om de grap, maar om Toon. Want Toon was Toon — en dat was genoeg.

Jannus bromde: “Toon kent er veel moppen, maar of hij vertelt eerst de clou, of hij wordt niet begrepen.” Toon stak zijn hand op. “En die mop van zonet dan? Daar zaten jullie smakelijk om te lachen.” Trees keek op van haar servet. “We lachten om de stilte erna, Toon. Die was raak.”

“Maar deze dan,” begon Toon, terwijl hij zijn koffiekop iets dichter naar zich toe schoof, alsof hij zich voorbereidde op een optreden.

Op school zat kleine Adje weer te zuchten boven zijn rekenschrift. Rekenen, het wilde hem maar niet lukken. De juf probeerde geduldig een voorbeeld te geven.

“Luister goed, Adje,” zei ze. “Stel, je hebt drie gulden en vijftig cent. Dan ga je naar je vader en je vraagt er nog een gulden en vijftig cent bij. Hoeveel heb je dan samen?”

Adje dacht even na, keek op en zei: “Drie gulden vijftig.”

De juf fronste haar wenkbrauwen. “Nee, dat is niet goed. Snap je het nu nog steeds niet?”

“Jawel hoor,” antwoordde Adje droog. “Maar ik ken mijn vader.”

Trees barstte in lachen uit. “Dat had mijn vader ook kunnen zijn,” zei ze, terwijl ze haar servet op haar schoot legde alsof ze zich voorbereidde op een herinnering.

Een geroezemoes ontstond aan de leestafel. Deze mop sloeg aan. Niet omdat hij nieuw was, maar omdat hij klopte. In wezen kenden ze hem allemaal — Adje, de vader, de rekensom die nooit uitkwam omdat vertrouwen niet in centen te meten is.

Kobus knikte bedachtzaam. “Maar mensen,” zei hij, “het was waarschijnlijk toen ook in een andere tijd. Onze jeugd, direct na de oorlog, was voor de mensen nog een beste tijd. Niet makkelijk, maar helder. Je wist wat je had, en wat je niet kreeg, daar maakte je geen rekensom van.”

Jannus bromde: “En als je iets vroeg, kreeg je een antwoord. Of een schop onder je kont. Maar geen inspraakformulier.”

Toon keek tevreden rond. “Zie je nou wel,” zei hij. “Die mop van zonet — daar zaten jullie smakelijk om te lachen.”

Trees glimlachte. “We lachten om Adje. Maar ook om onszelf.”

En toen de ban eenmaal gebroken was, leunde Kobus iets naar voren, zijn koffiekop in beide handen. “Mensen,” zei hij, “het is net als in de tijd van Sam en Moos, weet je nog? Die Amsterdamse moppen, waar verschrikkelijk veel van zijn geschreven. Maar hier in Brabant — hier is het een Adje die de hoofdrol speelt.”

Toon knikte. “Adje is van ons. Die snapt het leven zoals het hier loopt: met een omweg, een grap, en een vader die geen euro vijftig geeft.”

Trees lachte. “Mijn broer heette Adje. En hij had precies dat droge antwoord in zich. Als hij iets niet wist, zei hij: ‘Dan weet ik het dus niet.’ En dan was het klaar.”

Jannus bromde: “Adje is geen typetje. Adje is een houding.”

Kobus keek rond. “En dat is het mooie. In elk dorp zit een Adje. Hij stelt vragen die niemand durft te stellen, en geeft antwoorden die niemand verwacht. Maar iedereen herkent ze.”

Toon stak zijn hand op. “Ik heb nog wel een mop van Adje. Maar ik begin met de clou, dan zijn we sneller klaar.”

Trees zuchtte. “Toon, als jij ooit een mop vertelt zonder dat ik moet nadenken over de mop zelf, dan ben jij misschien wel de ware Jacob.”

Er werd gelachen. Niet om de mop, maar om het ritme. En terwijl de koffie dampte en de zon door het raam viel, was Adje weer onderwerp van de volgende die nu door Kobus werd gelanceerd:

Adje slenterde op zijn gemak over de vrijdagmarkt toen zijn oog viel op een kraampje met petjes. Voor de kraam stond een bloedmooi wiefke in een kort rokje voorover in de stapel te graaien.

Adje bleef staan. Hij genoot onbeschaamd van het uitzicht, alsof de rest van de markt niet meer bestond. Het ene na het andere petje haalde ze omhoog, zette het op en bekeek zichzelf in het kleine spiegeltje.

Op een gegeven moment merkte ze dat Adje haar zat aan te gapen, inmiddels met een mond die half openhing. Ze glimlachte, zette een mooi petje op, keek hem recht aan en vroeg:

“En? Staat-ie?”“Jazeker,” zei Adje, “bij het eerste petje al.”

De lach verstomde even, alsof iemand de volumeknop van het dorpsgeluid had aangeraakt. Bea, die tot dan toe stil had geluisterd met haar kopje thee in beide handen, keek op. “Ho, ho,” zei ze, “dit gaat de verkeerde kant op.”

Trees legde haar servet neer. “Bea heeft gelijk. Adje mag dan een dorpsfiguur zijn, maar hij moet niet verworden tot een kijkdoos.”

Kobus knikte langzaam. “Je hebt gelijk, Bea. Het was een mop uit een andere tijd. Maar misschien is het tijd dat Adje ook meegroeit.”

Toon van Gils probeerde nog: “Ik heb ook een versie waarin Adje gewoon een petje koopt en het vergeet af te rekenen.”

Jannus bromde: “Dat is beter. Dan lachen we om de vergeetachtigheid, niet om het uitzicht.”

Er ontstond een nieuw soort stilte aan de stamtafel. Geen ongemakkelijke, maar een nadenkende. Zoals dat gaat in De Lege Knip, waar zelfs moppen een tweede leven krijgen — mits ze het ritme van respect blijven volgen.

Trees keek naar Kobus. “Misschien moet Adje voortaan niet alleen droog zijn, maar ook wijs.”

Kobus glimlachte. “Dan wordt hij misschien wel de ware Jacob.”

En terwijl de zon nog steeds door het raam viel, werd er opnieuw gelachen. Niet om het petje, maar om het inzicht. Kobus had er nog eentje. Hij zat goed in z’n vel, en de stamtafel luisterde. “Adje,” begon hij, “die weet altijd hoe hij een situatie moet kantelen. Zelfs als hij zelf fout zit.”

Hij vertelde:

Bij het stoplicht stond een auto te wachten toen Adje aan kwam rijden. Hij was even niet helemaal scherp, en met een flinke klap reed hij achterop de auto. Uit de voorste wagen stapte een man, een Marokkaan, die direct begon te razen.

“Dit doe je expres! Jij bent een racist, jij hebt een hekel aan Marokkanen!” riep hij woedend.

Adje draaide rustig zijn raampje open en probeerde de spanning te breken.
“Doe eens even rustig, jongen. Het was gewoon een ongeluk.”

Maar de man wilde van geen kalmerende woorden weten. Hij bleef schreeuwen en schelden, niet alleen tegen Adje maar ook tegen de omstanders. “Jullie allemaal racisten!” bulderde hij.

Adje probeerde nog één keer de situatie onder controle te krijgen. “Als je nou niet rustig wordt, bel ik de politie,” zei hij.

De man bleef echter in razernij, en niet veel later arriveerde de politie. Ook zij kregen meteen de volle laag. “Jullie hebben allemaal een hekel aan Marokkanen!” riep de man.

De agenten bleven kalm. Ze spraken hem rustig toe, legden uit dat ze geen racisten waren en dat niemand hem kwaad wilde doen. Langzaam maar zeker begon de man te bedaren. Eén van de agenten sloeg een arm om zijn schouder, nam hem even apart en zei op zachte toon:

“Zie je nou? Dit is veel beter. Maar wees nu eens eerlijk: waarom ben jíj eigenlijk achteruit gereden?”

Aan de stamtafel werd gelachen. Niet om de botsing, niet om de woede, maar om de wending. Trees zei: “Dat is Adje. Hij laat zien dat een situatie pas kantelt als iemand durft te vragen wat er écht gebeurd is.”

Toon knikte. “En dat je soms pas vooruit komt als je toegeeft dat je achteruit ging.”

De stamtafel lag dubbel. Zelfs Trees moest haar servet even opzij leggen om ongegeneerd te lachen. Toon sloeg met vlakke hand op het tafelblad. “Die is raak, Kobus. Die is van het niveau ‘waarheid in vermomming’.”

Jannus bromde: “En dat zonder Adje. Dat is een prestatie op zich.”

De pastoor wilde het geloof in zijn kerk weer een beetje nieuw leven inblazen. Daarom zette hij een advertentie in de krant: er werd gezocht naar een nieuwe priester voor de zondagsdienst.

Er kwamen twee sollicitanten opdagen: een priester en een buschauffeur uit de Goirle.

“Nou,” zei de pastoor, “jullie zijn maar met z’n tweeën, dus ik zal jullie allebei eerst eens aan het werk zien.”
“Afgesproken,” zeiden de mannen.

Een week later werd de priester bij de pastoor geroepen.
“Het spijt me,” zei de pastoor, “maar de baan gaat naar de buschauffeur.”

Verontwaardigd reageerde de priester: “Maar dat kan toch niet, een buschauffeur in de kerk?”

De pastoor glimlachte. “Je moet wel goed rekenen, mijn zoon. Toen ik afgelopen zondag bij jouw dienst was, zaten de mensen allemaal te slapen. Maar gister, toen ik bij hem in de bus zat… daar zaten ze allemaal te bidden.”

Kobus leunde achterover, zichtbaar tevreden. “Soms moet je het geloof even laten rijden om het weer te laten landen.”

Mevrouw Van der Wetering, die net binnenkwam met een map vol notulen, keek verbaasd naar de vrolijke boel. “Wat is hier gaande?”

Trees wees naar Kobus. “Hij heeft de kerk hervormd met een buschauffeur.”

Van der Wetering knikte bedachtzaam. “Dat zou op het Dorpsplatform ook niet misstaan. Iemand die mensen wakker houdt.”

Toon grijnsde. “Dan stel ik voor: Kobus als liturgisch vervoerscoördinator.”

Kobus lachte. “Zolang ik maar niet hoef te rijden op zondagochtend.”

De zon zakte langzaam achter het dorpsplein. De koffie was bijna op, de stoelen stonden weer recht, en de liniaal op de vensterbank lag stil. Maar in De Lege Knip was iets blijven hangen — een echo van Adje, een glimlach om een buschauffeur, en het besef dat humor soms meer wakker maakt dan een preek.

En zo bleef Adje bestaan. Niet als grap. Niet als mop. Maar als spiegel. En soms, als een lege stoel die vraagt: Wie durft te gaan zitten en het dorp wakker te houden?


Ontdek meer van Mijn korte verhalen

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Plaats een reactie

Ontdek meer van Mijn korte verhalen

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder