
Jannus van der Leegte was geen man van veel woorden. Hij had ze vroeger genoeg gebruikt — in de bouwkeet, bij de kroeg, thuis met z’n vrouw. Maar nu, sinds hij met een minimale uitkering door het leven moest, hield hij zich stil. Te stil, misschien.
De dagen vloeiden in elkaar over, zoals goedkope koffie in een versleten mok. Elke maand was het weer aftellen naar die laatste week. De week van scharrelen. De week van blikken soep, brood van gisteren, en dat eeuwige gevoel in zijn buik dat ergens tussen honger en schaamte zat.
Maar er was één plek waar Jannus zich mens voelde: kringloopwinkel De Lege Knip.
De winkel zat in een oude loods, net buiten het dorp. De gevel was afgebladderd, de ramen beslagen, maar binnen was het warm — door de geur van oude boeken, de bonte kleuren van afgedankte spullen, en de mensen die net als hij niet veel hadden, maar wel verhalen.
Daar vond Jannus zijn radio, die precies één zender ontving — Radio 5, met liedjes uit zijn jeugd. Daar vond hij een jas die nog naar een wildvreemde rook, maar beter zat dan zijn eigen huid. En daar vond hij… een kistje.
Het kistje stond verborgen achter een stapel vergeelde Reader’s Digests en een defecte broodrooster. Hout, donker, met metalen beslag en een zwaar slot. Geen prijsje erop. Geen sleutel erbij.
Jannus, nieuwsgierig als een kat in een kelder, vroeg het aan mevrouw Trees, die achter de kassa zat.
“Geen idee,” zei ze. “Iemand heeft ’t gedoneerd. Weet je wat? Neem maar mee. Misschien zit er wel goud in, hè?” Ze lachte met haar rokersstem.
Thuis zette Jannus het kistje op tafel. Hij probeerde het te forceren met een schroevendraaier, een blikopener, zelfs een hamer. Niks. Het slot hield stand als een belastingdeur.
Hij vergat het kistje bijna — tot een paar weken later, toen hij weer in De Lege Knip was. Er stond een oude man in de hoek, met een lange grijze jas en ogen die zoveel gezien hadden dat ze nauwelijks knipperden. Hij keek Jannus aan en zei:
“Dat kistje. Je hebt het mee naar huis genomen, hè?”
Jannus slikte.
“Hoe weet u dat?”
De man glimlachte. “Omdat jij hem was die ik zocht. In dat kistje zit iets wat alleen geopend kan worden door iemand die werkelijk weet wat leegte is. Niet alleen in de knip. Maar hier.” Hij tikte op zijn borst.
Jannus lachte ongemakkelijk. “Wat bent u, een goochelaar?”
De man knikte alleen. “Breng het morgen terug naar De Lege Knip. Daar zal het open gaan.”
Jannus deed het. Volgende dag, vroeg in de ochtend, stond hij voor de kringloopwinkel met het kistje in zijn handen. Hij wist niet waarom, maar hij voelde dat hij iets belangrijks ging meemaken.
Binnen was het stil. Te stil. Geen Trees. Geen klanten. Alleen de man met de jas, achterin.
Hij zette het kistje op tafel.
De man boog zich voorover en fluisterde iets onverstaanbaars. Er klonk een zachte klik. Het slot sprong open.
In het kistje lag geen geld. Geen goud. Alleen een stapel brieven. En bovenop: een cheque.
“Aan de vinder: gebruik dit om De Lege Knip te vullen — voor jezelf, en voor anderen.”
De cheque was echt. 50.000 euro. Getekend door een naam die Jannus vaag herkende van een oude ondernemer, jaren geleden overleden. Iemand die ooit zelf blut was geweest en toen zijn hele nalatenschap aan ‘een eerlijke vinder’ had gewijd.
De Lege Knip kreeg een verfbeurt. Nieuwe verwarming. Jannus kreeg een baan — beheerder van de winkel. Niet voor het geld, maar omdat hij wist wat leegte was. En hoe je die kon vullen.
En elke maand, in die laatste week, kwam er altijd iemand scharrelen. Die kreeg een broodje, een glimlach, en soms iets extra’s uit een geheimzinnig kistje onder de toonbank.
Plaats een reactie