
Het was een heldere ochtend toen Jannus, zijn rechterpols licht ingetaped, weer achter de computer kroop bij het gemeentehuis. Hij voelde zich zowaar weer een beetje de oude. De fysio had zijn werk gedaan, en Trees had hem streng maar liefdevol gemaand het wat rustiger aan te doen. “Je bent geen twintig meer, Jannus,” had ze gezegd. “Eén muisklik tegelijk, graag.”
Terwijl hij het documentenbeheer opstartte, verscheen er plotseling een e-mailnotificatie in beeld. Afzender: Trees van De Lege Knip. Onderwerp: bijzondere bezoeker.
Jannus opende het bericht.
“Jan, er was net een man hier. Pak, das, aktetas – je kent het soort. Zo iemand komt normaal gesproken niet bij ons rondsnuffelen. Maar hij vroeg specifiek naar jou. Iets met literaire speurwerk, zei hij. Hij zoekt boeken of informatie over een schrijversduo: Margo Scharten-Antink en Carel Scharten. Of jij hem per mail wilt contacteren. Zijn naam is Steven Havelaar.”
Jannus glimlachte. Hij kende de naam Margo Scharten-Antink vaag. Dichteres, ergens begin twintigste eeuw. Maar dat iemand daar vandaag nog naar zocht, intrigeerde hem.
Hij typte een kort mailtje naar Steven. Binnen het uur kreeg hij antwoord: “Meneer Van der Leegte, ik zou u graag morgen ontmoeten bij De Lege Knip. Ik werk aan een biografisch essay en er is nauwelijks nog iemand die weet wie ze waren. U schijnt dat wel te weten.”
De volgende ochtend zaten ze tegenover elkaar aan het kleine leestafeltje in de hoek van de winkel. Steven, strak in pak met een notitieboekje, en Jannus met zijn vers geschoren gezicht en een trui die Trees voor hem had uitgezocht. Er hing iets plechtigs in de lucht, alsof de boeken ademloos meeluisterden.
“Wat wilt u precies weten?” vroeg Jannus.
Steven haalde een vergeeld krantenknipsel tevoorschijn. “Ze waren ooit beroemd. Ze schreven samen, leefden in Italië, hadden een kring van kunstenaars om zich heen. Maar nu… amper nog iets over hen te vinden.”
Jannus knikte. “U bedoelt het kunstenaarskolonie-verhaal in Fiesole. De bundel De overtocht van Margo. En Carels half-vergeten roman De geheime kamer. Ik denk dat ik wat voor u heb.”
Steven keek op, verrast.
In de dagen die volgden, dook Jannus in de archieven van de Lege Knip, in vergeelde boeken, vergeten tijdschriften, en zelfs in een oude handgeschreven catalogus die hij ooit zelf had aangelegd. Hij ontdekte een briefwisseling tussen Margo en een andere vergeten schrijfster, een stuk proza dat nooit was uitgegeven, en vond zelfs een literaire recensie uit 1932 waarin hun werk werd vergeleken met dat van Gorki en Rilke.
Toen hij Steven een week later uitnodigde voor een tweede gesprek, had hij een mapje vol kopieën, notities en één klein, stoffig boekje dat niemand in de kringloop ooit had opgemerkt: Onder de pijnbomen, een gezamenlijke uitgave van Margo en Carel, gesigneerd met inkt die inmiddels bruin was geworden.
Steven bladerde ademloos.
“Hoe hebt u dit allemaal gevonden?”
Jannus glimlachte rustig. “Ik kijk gewoon goed. En ik heb tijd.”
Die avond, terug in zijn kamer boven de oude fietsenwinkel, zette Jannus een pot thee en schreef met potlood in zijn notitieboekje:
Boeken vergeten niet. Mensen wel. Maar zolang er iemand leest, blijven ze leven.
En ergens, in een academisch artikel dat een jaar later zou verschijnen in een literair tijdschrift, werd Jannus van der Leegte bedankt. Niet met zijn voornaam, niet als vrijwilliger, maar als: “de man die tussen kringloopkasten en koffievlekken een stukje literaire geschiedenis terugbracht aan het licht.”
En daar, in zijn hoekje van De Lege Knip, stond hij even net iets rechter dan normaal.
Meer van mijn verhalen lezen: https://willemzijlstrasverhalen.blog

Plaats een reactie