
Het was pas de tweede dag dat de nieuwe Lege Knip tussen de middag haar deuren sloot. Zoals afgesproken begonnen Trees en Jannus met het rechtzetten van de spullen. Overal stonden dingen net een tikje verkeerd: boeken in de verkeerde kast, vazen tussen het servies, een tuinkabouter op een stapel thrillers.
“Je gelooft het toch niet,” zei Trees hoofdschuddend terwijl ze een versleten teddybeer uit het pannenrek viste. “Zouden mensen thuis ook zomaar alles verplaatsen? Dan lijkt het daar vast op een varkensstal.”
Jannus humde. “Wat ze thuis doen moeten ze zelf weten. Maar hier niet. Ik vind dat we daar iets aan moeten doen.”
“Zal ik weer een poster ophangen?” vroeg Trees. “Wat was die spreuk ook alweer? ‘Laat alles waar het stond’? Of ‘Geen chaos in de Knip’?”
Maar voor ze iets ophingen, was alles alweer netjes rechtgezet. Jannus wreef in zijn handen. “Tijd voor koffie,” zei hij. “Kom, we gaan naar het kantoor. Jij thee vandaag?”
“Ja,” knikte Trees. “Citroen. Dat lijkt me fris.”
Met dampende mokken zaten ze even later in de kleine kantoorruimte achterin. De rust was welkom.
“Zeg Trees,” begon Jannus terwijl hij in zijn koffie roerde, “heb jij vanmorgen dat oudere dametje gezien in de winkel? Ze bracht een stel wandelstokken. Onder elk handvat had ze kleine metalen plaatjes gespijkerd. Souvenirs, zei ze. Van al haar reizen met haar man.”
“Ja, ik heb haar gesproken,” zei Trees. “Een beetje verward, vond ik. Ze zei dat ze de stokken niet meer in huis wilde.”
“Ik snap nu waarom,” zei Jannus. “Ik vroeg haar of het geen mooie herinneringen waren. Maar ze keek me aan en zei: ‘Die herinneringen doen pijn. Mijn man heeft me verlaten.’”
“Ach, gescheiden?” vroeg Trees.
“Nee,” zei Jannus, “hij is overleden. Maar zo zei ze het niet. Ze zei: ‘Hij is ervandoor gegaan. De kist in, ja, maar hij heeft me verlaten. En dat hadden we nooit afgesproken.’”
Trees was stil. Jannus vervolgde: “Ze zei dat ze nu helemaal alleen was. De kinderen wonen allemaal in het buitenland. Goed opgeleid, maar weg. En zelf was ze enig kind. Geen familie meer. Geen anker.”
“En die stokken herinnerden haar aan wat ooit was,” zei Trees zacht.
“Ze wilde ze niet meer zien. Dus liet ze ze hier.”
Ze dronken even in stilte.
“Zullen we er iets mee doen?” vroeg Trees. “Een wand of zo. Met die stokken. Een herdenkingsplek voor gedeelde paden.”
Jannus knikte. “Ja. En een bordje erbij. ‘Gedeelde paden, blijvende sporen, maar niet te koop’ Of iets dergelijks.”
“Dan worden zelfs verloren wandelingen weer iets moois,” fluisterde Trees.
Trees knikte bedachtzaam. “En wie weet, als ze ooit spijt krijgt?”
Jannus keek op. Zijn blik gleed naar de hoek waar ze de wandelstokken voorlopig hadden neergelegd, alsof hij de vrouw weer voor zich zag staan.
“Dan hebben we de souvenirs sowieso voor haar bewaard,” zei hij zacht.
De stilte die volgde was geen lege stilte, maar een die gevuld was met begrip. Buiten begon de klok van de kerk te luiden. In de verte klonken voetstappen op de straat. Het was bijna tijd om de deur weer open te doen voor een nieuwe middag in de Lege Knip — vol verhalen, herinneringen, en mensen die soms meer achterlieten dan alleen spullen.
Plaats een reactie