
Het was een gewone woensdagmiddag in De Lege Knip, althans, zo leek het. Buiten regende het licht, en binnen klonk het zachte gezoem van gesprekken, schuifelende voeten en af en toe het gepiep van de deurbel. Jannus liep net met een doos oude boeken onder zijn arm richting het boekenrek toen hij het hoorde.
“Mamaaaa, ik wil die beer! En die pop! En die roze kinderwagen!”
Drie kinderen stormden achter elkaar door het gangpad, alle drie met iets in hun hand, hun stemmen steeds hoger van opwinding. Een moeder – overduidelijk oververmoeid – liep er met een wanhopige glimlach achteraan. En toen kwam het:
“Kinderen die willen…”
Ze wilde het vooral als waarschuwing uitspreken, maar werd onderbroken door Jannus die, zonder op of om te kijken, de zin feilloos afmaakte:
“…krijgen voor de billen!”
Een paar mensen schoten in de lach. De moeder bleef even staan, keek naar Jannus en zei:
“Dat zei mijn vader ook altijd.”
Jannus keek op, zette de doos neer en glimlachte.
“Die van mij ook. En het hielp best vaak. Tot ik groter werd dan m’n vader.”
De kinderen keken even verbaasd, maar hun aandacht verschoof alweer snel naar een rek met knuffels. Trees, die het tafereel vanaf de kassa had gevolgd, liep rustig naar het speelgoed en zei vriendelijk:
“Zullen we eens kijken wat er allemaal ligt? En wat je écht graag zou willen meenemen?”
De rust keerde terug. Even.
Niet veel later schuifelde een oudere dame richting de kledingrekken. Ze had een rustige tred, een wandelstok, en een blik die tegelijk mild en scherp was. Trees herkende haar van eerdere bezoeken, maar wist haar naam niet. Terwijl ze samen naar een gebreide vest keken, verzuchtte de vrouw:
“Tegenwoordig krijgen kinderen alles wat ze willen. Wij moesten vroeger nog dankjewel zeggen als je een sinaasappel kreeg.”
Trees knikte.
“Dat klopt. En als je wat wilde…”
Ze keek even op naar Jannus die net voorbij kwam met een stofzuiger.
“Dan kreeg je voor de billen!” vulde Jannus haar moeiteloos aan.
De vrouw schoot in de lach.
“Precies! Eindelijk nog iemand die dat weet. Zeg dat nog maar eens tegen die van nu!”
Trees legde een hand op haar arm en glimlachte.
“Wij zijn hier meer van het vriendelijke woord, maar we hebben ook regels.”
Alsof het lot het hoorde, klonk er ineens een luid “Boem!” vanuit de zithoek. Een jongetje van een jaar of zes had geprobeerd op een gammel krukje te klimmen om bij een oude globe te komen en lag nu languit op de grond. Gelukkig niets ernstigs – meer schrik dan pijn – maar zijn vader stormde toe en riep:
“Wat zei ik nou? Kinderen die willen…”
En weer, alsof hij op een cue wachtte, riep Jannus van achter het gordijn:
“…krijgen voor de billen!”
De jongen keek verschrikt op. De vader lachte.
“Dat dacht ik dus ook.”
Hij hielp zijn zoon overeind en zei zachter:
“Volgende keer gewoon even vragen.”
Toen de rust weer was weergekeerd, zaten Trees en Jannus aan de lunchtafel in het kantoor. Buiten hoorde je het getik van de regen. Jannus schonk thee in – met citroensmaak, die Trees nog steeds verrassend lekker vond – en keek peinzend voor zich uit.
“Weet je Trees… dat zinnetje van vroeger, dat is eigenlijk heel dubbel.”
“Hoe bedoel je?”
“Nou, vroeger betekende het: je moet niet zoveel willen, anders krijg je straf. Maar vandaag… Het lijkt wel of mensen vergeten zijn dat willen niet hetzelfde is als krijgen. Of als moeten. Je mag wensen, maar je moet ook leren loslaten.”
Trees knikte.
“Soms is het mooiste dat je kunt krijgen een beetje begrip. Een hand op je schouder. Of een kop thee met een citroengeur.”
En boven de speelgoedhoek hing vanaf die middag een nieuwe poster.
“Kinderen die willen, krijgen… een verhaal.”
Met daaronder in sierletters:
“Elke wens begint met luisteren.”
Plaats een reactie