
Een paar weken geleden was Roy betrapt op illegaal overnachten op de zolder van De Lege Knip. Ada en Alijda, die daar wekelijks dweilden, waren al langer nieuwsgierig naar de deur aan het eind van de hal — een deur die nooit openging. Ze fantaseerden over wat erachter schuilging: een vergeten klaslokaal vol boeken, of een mysterieuze opslag vol geheimen.
Op een zaterdag vroeg Ada aan Jannus: “Wat zit er eigenlijk achter die laatste deur?” Jannus haalde zijn schouders op. “Er zijn geen lokalen boven, maar er moet wel een zolder zijn. Misschien is er ergens een sleutel.”
In de opslag vonden ze een ladekast vol roestige sleutels. Na vijf vergeefse pogingen klonk er een klik.
Vandaag was het zover. Jannus, Roy, Peter, Ada, Harrie en Alijda trokken met stofmaskers en schoonmaakspullen naar boven. Kamer één — waar ze eerder het antieke cilinderbureau en de eikenhouten draaistoel hadden gevonden — werd opnieuw geopend. Jannus schakelde het licht aan; oude TL-armaturen flakkerden tot er een zacht, diffuus licht ontstond. De meubels herkende hij nog, maar de rest was nieuw.
Met z’n zessen verkenden ze de ruimte. Peter opende krakende kastdeuren, waarachter schoolboeken, atlassen en vergeelde schoolplaten lagen. Bovenaan herkende Roy Aap, Noot, Mies. “Dat hadden wij al niet meer op school,” mompelde hij.
Jannus gaf Ada en Peter de taak om de vloer te zuigen en het meubilair op te poetsen. Harrie en Alijda namen de kasten onder handen. Langs de muur stonden dozen, bedekt met stof en spinnenrag, die Jannus en Roy voorzichtig schoonmaakten.
“De stofzuiger doet het niet goed meer,” klaagde Peter. “Misschien zit de zak vol,” reageerde Alijda. En inderdaad — propvol. Mopperend liep Peter naar beneden om hem te legen. Terug boven ging hij fanatiek aan de slag; in no time had hij ook de wanden en het plafond meegepakt.
Alijda veegde het raam schoon, waardoor het buitenlicht weer naar binnen viel. De kamer begon opnieuw te ademen.
Toen de ruimte begaanbaar was, begonnen ze de dozen te openen. Eén voor één belandden ze op het bureau. “Sjee,” zei Roy, “een hele doos met glazen inktpotjes, kroontjespennen en flessen schrijfinkt. Daar heb ik nog nooit mee geschreven. Jannus, mag ik dat eens proberen?” Jannus knikte. “Probeer maar.”
Hij liep naar de statige kapstok, waar het vaalgrijze uniformjasje nog hing. Trees had er eerder een veeg over gehaald, en nu kwam opnieuw een lichtblauwe kleur tevoorschijn. “Dat stof heeft z’n eigen camouflage gemaakt,” grinnikte Jannus, terwijl hij met een vinger een nieuwe wolk losmaakte. Peter wist wat hem te doen stond: stofzuiger erop. Het resultaat was een lichtblauw jasje, bijna als nieuw.
Een paar uur later was de kamer schoon. Het bureau glansde, de dozen stonden geordend, en alles wachtte geduldig op haar volgende bestemming.
Na de koffie pauze willen ze nog een ruimte gaan doen. Ada “Ik ben ook benieuwd wat er in die andere ruimtes nog verborgen wordt gehouden, want de tweede kamer had toen geen verlichting en hebben we bijna niet kunnen zien”. Het licht dat naar binnen valt, wordt hier gebroken door een vitrage die ooit wit moet zijn geweest, maar nu verkleurd en vuil is, waardoor alles in de kamer in een vale schemer gehuld blijft. Wat er precies staat, is moeilijk te onderscheiden. Het eerste wat Jannus hier moest doen was er een nieuw lamp in te zetten, want die was de vorige keer geploft. Met een zaklantaarn schijnt hij bij en geeft Harrie een lamp die hij er inzet. Met dat Harrie de lamp er indraait flikkert het licht aan en is ook hier de ruimte zichtbaar. Peter zoekt naar een stopcontact en ziet er een op een zes plaatsen. Als hij de stofzuiger aanzet komt door de beweging van lucht een stofwolk in beweging. “We hadden het voor hier wel goed gezien dat er mondkapjes gedragen moesten worden”. “Ja”zei Alijda” Ik denk dat altijd al allergisch voor stof ben geweest, ik heb ze altijd bij me”. De ruimte moet waarschijnlijk puur voor opslag gebruikt zijn. Geen stoel of tafel stond er in deze ruimte, het waren alleen maar dozen. Ada vraagt aan Jannus”zal ik een emmer water ophalen dan kan ik straks de ramen wassen en zemen” en aan de reactie van Jannus te zien loopt ze al richting de gang. Alijda was al met een doek langs de ramen en de wanden van de dakkapel. Harrie en Roy beginnen de eerste van de grote dozen open te maken. “Zo, Jannus wij hoeven met de kerstdagen geen boom te kopen”. Jannus komt met de anderen meteen kijken. “Het is een heel bouwpakket zo te zien” zei Peter. “Straks nemen we deze doos naar beneden en zullen wel zien” was Jannus zijn reactie. Als inmiddels Ada met haar water en spons en ramenlap spullen terug komt gaat ze meteen aan de slag. De doos met de kerstboom zetten ze op de gang en pakken de volgende doos. Met een oog zien ze dat ook hier een kerstboompakket inzit. “zo te zien zijn er een aantal van de zelfde dozen en daar staan weer andere dozen ook met een andere opdruk”. Bij het nazien blijken er inderdaad 8 dozen met kerstboompakketten te zijn. In de andere dozen vinden ze keurig verpakte kerstballen in veel kleuren met apart verpakt een kerstboompiek. Ada ziet het voor haar “Met de kerstdagen staat er strak in iedere hoek een kerstboom”.
De volgende doos doet iedereen verbaast kijken als Harrie hem openmaakt “Neee, moet je nu eens zien, een grote kerststal en los per stuk ingepakte beeldjes, de Herders, de Driekoningen en Maria met het kindje Jezus in het kribje en alle dieren”. Het had niet veel gescheeld of hij had in zijn enthousiasme de hele stal al ingericht. Ook van de kerststallen bleken er 8 dozen aanwezig. Ook stonden er nog 8 dozen waarin alleen maar kerstslingers en kerstverlichting zaten verpakt. Ook aan elektrische bedrading en stekkerdozen ontbrak het niet. “Dat de gemeente dit heeft laten liggen na het sluiten van de lagere school is toch niet normaal”.
Achter de dozen rij stonden er verder allerlei materialen welke te maken hadden met schoolversieringen zoals borden over Sinterklaas en Pasen. “Daar kunnen we misschien ook nog wel iets mee”gaf Jannus aan.
“Precies,” knikt Harrie. “En nu maar op naar de derde ruimte?”
De derde ruimte
De derde ruimte kenden ze al — een stoffig nest, maar met opvallend veel licht. Door een hoge dakkapel, waarvan het glas verrassend helder was gebleven, viel de zon ongehinderd naar binnen. Haar stralen vielen precies op het oude meubilair, alsof ze het bewust wilde onthullen.
In het midden stond een tafel die duidelijk ooit als bureau had gediend. Daarachter een wankele bureaustoel, waarvan de zitting scheef hing, alsof er ooit een zware schrijver op had gezeten. Bovenop het bureau stond een antieke typemachine, afgedekt met een kunstleren hoes, zwaar van het stof. Toen de hoes werd verwijderd, leek het stof te exploderen — het dwarrelde op en danste in de zonnestralen.
“Nee joh, niet zo wild!” riep Ada, lachend en proestend tegelijk. “Moet je kijken wat je aanricht!”
Peter zocht langs de muur naar een lichtknop. Bij de deurpost vond hij er een, en toen hij hem indrukte, sprongen vier grote TL-armaturen aan. Eén bleef flikkeren, maar het licht was voldoende. Nu werd pas goed zichtbaar hoe gaaf de oude Adler Standard erbij stond — vrijwel stofvrij onder de hoes.
Jannus streek met zijn hand over de metalen toetsen en zei zacht, bijna eerbiedig: “Een… en kijk hier,” knikte hij naar Harrie. “Vervaardigd in 1938.”
Harrie keek even, haalde zijn schouders op en zei droog: “Dan is-ie ouder dan ik. Dus wees er maar zuinig op.”
“Goed,” zei Jannus, “zullen we hier nu een behoorlijke ruimte van maken?” Peter zette direct de stofzuiger aan. Ada en Alijda namen het glas en raamwerk onder handen, terwijl Jannus op zoek ging naar het kleine draaiknopje waar Trees de vorige keer aan had gezeten. Boven het bureau hing een verweerde muurlamp, waarvan het zwakke licht langzaam helderder werd. In dat zachte gloeilicht leek de Adler Standard ineens alsof hij net gepoetst was.
Toen de schoonmaak naar ieders tevredenheid voltooid was, keek Jannus opnieuw naar de typemachine en mompelde, net als de vorige keer: “Weet je… op zo’n ding zijn waarschijnlijk verhalen getypt die we nooit meer zullen kennen.”
“Het zullen wel leerlingrapporten zijn geweest,” zei Alijda, terwijl ze met haar hand langs de rand van het bureau streek. “Maar vast een stuk minder dan wat er tegenwoordig allemaal bijgehouden moet worden.”
Haar blik viel op een wandkast, waar een stelling vol stond met boeken en hangmappen. In sommige mappen staken brieven in vergeelde enveloppen, alsof ze al decennia op antwoord wachtten. Op een andere plank stond een houten kistje met een klein messing slotje — mat van glans, alsof het al jaren onaangeroerd was gebleven.
“Dit moet ooit het kantoortje van een leraar zijn geweest,” vermoedde Jannus, terwijl hij met een vinger op het gesloten kistje tikte.
Het was inmiddels al wat later geworden. Jannus stelde voor om het voor vandaag af te ronden en beneden nog even koffie te drinken. “We nemen het kistje mee,” zei hij, “en een paar van die gevulde mappen. Misschien zit er nog iets van historische waarde tussen.”
Beneden keek Trees hen verbaasd aan. “In welk stofnest hebben jullie gezeten?” vroeg ze, terwijl ze hun kleding bekeek — nog steeds bedekt met een waas van grijs. “Goed dat jullie die stofmaskers op hadden. En? Nog bijzondere vondsten gedaan?”
Jannus legde de spullen op tafel en spreidde ze uit. “In de derde kamer,” zei hij, “zoals je weet: de Adler typemachine. En deze mappen, vol papieren.”
Trees boog zich nieuwsgierig over de tafel en pakte de bovenste map — dik gevuld, met vergeelde randen. “Laat eens zien wat hier allemaal in zit,” mompelde ze, terwijl ze voorzichtig de map opensloeg.
Trees bladerde door de eerste papieren. Een geur van oud papier, inkt en stof vulde de ruimte — een geur die iets weemoedigs in zich droeg, als van een herinnering die zichzelf niet wil prijsgeven.
“Het lijkt op lesmateriaal,” zei ze. “Of aantekeningen. Zie je? Hier staat ‘maatschappijleer, 1978’. En dit… is een leerlinglijst.” Ze hield een vergeeld vel omhoog, vol namen in sierlijk handschrift.
Harrie kwam er ook bij staan. “Kijk eens naar die naam hier onderaan,” zei hij. “Pier de Vries… dat zegt me wat.”
Jannus knikte langzaam. “Dat was die leraar die ooit plotseling verdween, toch? Ik meen dat mijn broer het daarover had — hij werkte toen nog bij de gemeente. Een zaak vol raadsels.”
Trees keek op. “Dan is dit misschien zijn nalatenschap.” Ze wees op een map met het opschrift Persoonlijk – Niet openen zonder toestemming. De letters waren vervaagd, maar nog net leesbaar.
Er viel een stilte. Alleen het tikken van de klok vulde de kringloopruimte. Buiten waaide de wind langs de oude ramen, alsof ook die iets wilde zeggen.
“Zullen we het kistje openen?” vroeg Harrie tenslotte, half fluisterend.
Jannus haalde een klein schroevendraaiertje uit zijn borstzak, alsof hij het had voorzien. Het slotje gaf snel mee, met een zacht klikje. In het kistje lag een stapel brieven, keurig opgevouwen en met touw omwonden. De bovenste was geadresseerd aan Hendrika Jansen, psycholoog, Breda.
Trees las de naam fluisterend voor, en keek op naar Jannus.
Die glimlachte wrang. “Dat is toevallig,” zei hij. “Zo heette de psycholoog van Pier.”
De groep zweeg. Het leek even alsof ze een grens hadden overschreden — niet alleen van papier, maar van tijd.
“Wat doen we ermee?” vroeg Trees zacht.
Jannus dacht na. “We lezen één brief,” zei hij tenslotte. “Alleen om te weten wat hier bewaard is gebleven. De rest… bewaren we met respect.”
Ze maakten het touw los, en Trees vouwde de eerste brief open. De inkt was lichtblauw, de hand trilde zichtbaar in de lijnen.
Beste Hendrika,
Ze hebben me vandaag weer op het matje geroepen. Niet vanwege mijn lessen, maar omdat ik vragen stelde. Te veel, zeggen ze. Over beleid, over wat we onze leerlingen eigenlijk leren. Misschien heb jij gelijk: sommige waarheden verdragen geen klaslokaal.
Maar ik blijf schrijven. Als niemand luistert, dan zal het papier dat doen.
Trees keek op. Haar ogen glansden. “Hij schreef niet alleen over zijn werk,” zei ze zacht. “Hij schreef om niet te verdwijnen.”
Jannus knikte langzaam. “Dan heeft hij vandaag zijn stem teruggevonden.”
Harrie schonk de koffie in, zonder iets te zeggen. De kringloopwinkel rook naar oud papier, naar koffie, naar verleden dat eindelijk gehoord werd. En boven, in het lege kamertje, leek even iets te bewegen — misschien een zucht, misschien slechts stof — alsof Pier de Vries zelf nog één keer omkeek, tevreden dat iemand zijn woorden had gevonden.
Plaats een reactie