
De zon gleed langzaam langs de houten vloer van De Lege Knip. De geur van koffie vermengde zich met die van oud papier en stof, terwijl de zes zich rond de grote tafel verzamelden. Op het tafelblad lagen de mappen uit de derde kamer, het houten kistje met het messing slotje, en een envelop die Roy voorzichtig had opengevouwen.
Trees keek op van haar mok. “Zeg… dat item bij Radar. Over die dubbele btw bij kringloopwinkels. Hebben jullie dat gezien?”
Ada knikte. “Ja. En ik dacht meteen: als ze hier ooit binnenlopen, dan hebben we een probleem. We doen geen afdracht, geen boekhouding. Alles wat binnenkomt, gaat naar het goede doel. Maar dat telt blijkbaar niet.”
Peter leunde achterover. “We zijn geen winkel. We zijn een plek. Een tussenruimte. Dingen komen hier aan, worden herkend, hersteld, en gaan weer verder. Waarom zou je dat belasten?”
Jannus keek naar het kistje en tikte er zachtjes op. “Het is precies dat. We bewaren geen spullen, we bewaren betekenis. Maar als je dat niet kunt aantonen in cijfers, dan telt het niet.”
Alijda streek met haar hand langs de rand van een map. “En toch… we zijn onderdeel van iets groters. Van een beweging die hergebruik koppelt aan zorg. Aan mensen die hier werk vinden, rust, ritme. Dat is waarde. Alleen niet in euro’s.”
Roy keek op van de vergeelde brief. “Misschien moeten we het juist wél opschrijven. Niet voor de Belastingdienst, maar voor onszelf. Wat hier gebeurt, is niet niks. En als we ooit verantwoording moeten afleggen, dan kunnen we zeggen: dit is wat we deden. Dit is wat we gaven.”
Trees glimlachte. “En wie gaat dat doen? Jij?”
Roy keek naar de typemachine in de hoek. “Misschien typ ik het wel uit. Op die Adler. Dan is het tenminste historisch verantwoord.”
Er viel een stilte. Buiten klonk het geritsel van bladeren, alsof het dorp zelf meeluisterde.
Jannus stond op. “We gaan dit serieus nemen. Niet omdat we bang zijn voor controle, maar omdat we willen laten zien dat De Lege Knip méér is dan een stoffige opslag. Het is een plek van overdracht. Van verhalen, arbeid, herstel. En dat verdient erkenning.”
Ada keek hem aan. “En als ze ons ooit vragen wat onze waarde is, dan zeggen we: kijk om je heen. Kijk naar wat hier leeft, wat hier herleeft.”
Er viel een stilte. Buiten klonk het geritsel van bladeren, alsof het dorp zelf meeluisterde.
Jannus stond op. “We gaan dit serieus nemen. Niet omdat we bang zijn voor controle, maar omdat we willen laten zien dat De Lege Knip méér is dan een stoffige opslag. Het is een plek van overdracht. Van verhalen, arbeid, herstel. En dat verdient erkenning.”
Ada keek hem aan. “En als ze ons ooit vragen wat onze waarde is, dan zeggen we: kijk om je heen. Kijk naar wat hier leeft, wat hier herleeft.”
Trees liep naar het raam. “We moeten dit voorleggen aan mevrouw de Burgemeester. Ze is onze beschermheer. En ze begrijpt wat De Lege Knip betekent voor het dorp.”
Jannus knikte. “Ze heeft altijd gezegd dat plekken als deze het geheugen van de gemeenschap zijn. Misschien is het tijd dat ze dat ook in Den Haag laat horen.”
Ada pakte haar notitieboekje. “Zullen we haar uitnodigen voor een Gesprek? Geen formeel bezoek, gewoon een ochtend in De Lege Knip. Koffie, een wandeling langs de kamers, en dan het gesprek.”
Jannus keek naar de Adler typemachine. “En misschien laten we haar daar zelf een brief typen. Aan het ministerie. Met de geur van stof en koffie in de regels.”
Alijda lachte. “Dat zou pas een motie zijn met karakter.”
Trees draaide zich om. “Ik bel haar. En als ze komt, dan zorgen wij dat De Lege Knip niet alleen schoon is, maar ook spreekt.”
Het was een heldere ochtend toen mevrouw de Burgemeester arriveerde. Geen ambtsketen, geen entourage — alleen haar vertrouwde mantel, een leren tas en een blik die alles leek te registreren. Trees stond haar op te wachten bij de voordeur van De Lege Knip, waar de geur van koffie al opstegen uit de thermoskannen.
“Welkom,” zei Trees, “we hebben u veel te laten zien. En misschien nog meer te vragen.”
De burgemeester glimlachte. “Laat me eerst maar eens kijken. De Lege Knip spreekt meestal voor zichzelf.”
Ze werd rondgeleid langs de kamers op de bovenverdieping. Eerst kamer één, waar het bureau glansde en de dozen netjes gestapeld stonden. Daarna de tweede ruimte, met de schoolplaten en het uniformjasje dat nu lichtblauw oplichtte in het ochtendlicht. En tenslotte de derde kamer, waar de zon via de dakkapel op de Adler typemachine viel alsof ze haar wilde zegenen.
Jannus wees naar de typemachine. “Vervaardigd in 1938. En nog steeds klaar om te schrijven.”
De burgemeester boog zich voorover, streek met haar hand over de toetsen. “En wat zou hij vandaag moeten zeggen?”
Roy, die haar volgde met een map onder zijn arm, antwoordde zacht: “Dat waarde niet altijd in cijfers te vangen is. En dat stof soms meer bewaart dan een spreadsheet.”
Ze knikte. “Vertel me wat jullie willen.”
Aan de grote tafel, met koffie en vergeelde papieren, ontvouwde zich het gesprek. Over de Radar-uitzending, de dubbele btw, de afwezigheid van boekhouding, en de wens om erkend te worden als maatschappelijke plek — niet als commerciële winkel.
“Wij doen geen afdracht,” zei Trees. “Maar we doen wel overdracht. Van spullen, van verhalen, van werk.”
“En alles wat binnenkomt,” vulde Ada aan, “gaat zoals u weet naar het goede doel. Geen winst, geen loon. Alleen waarde.”
De burgemeester luisterde aandachtig. Ze stelde geen vragen, maar noteerde af en toe iets in haar notitieboekje. Toen het gesprek stilviel, keek ze op.
“Jullie zijn een archief van het gewone leven,” zei ze. “Een plek waar het dorp zichzelf herkent. En dat verdient bescherming, niet belasting.”
Jannus schoof de typemachine naar haar toe. “Wilt u het opschrijven? Een brief. Aan het ministerie. Vanuit De Lege Knip.”
Ze aarzelde even, legde haar tas op de grond, en keek naar de Adler typemachine. Haar hand rustte op de toetsen, maar ze begon niet te typen. “Dat laat ik aan een ambtenaar,” zei ze zacht. “Die zijn er voor de formuleringen. Ik ben hier om te luisteren.”
De groep zweeg. De kamer ademde stof, zonlicht en verwachting.
Mevrouw de Burgemeester keek hen één voor één aan. “Wat ik hier zie,” begon ze, “is geen winkel. Geen onderneming. Het is een plek van overdracht. Van arbeid, van herinnering. Jullie geven spullen een tweede leven, maar ook mensen. En dat is niet te vangen in een btw-tarief.”
Ze stond op, liep langzaam naar het raam en keek naar buiten — naar het dorpsplein, waar de tijd altijd iets trager leek te gaan. “De Lege Knip is een archief van het gewone leven. Een plek waar het dorp zichzelf herkent. En dat verdient bescherming, niet belasting.”
Trees knikte. “Maar hoe dan? We hebben geen ANBI-status, geen boekhouding. Alleen intentie.”
“Intentie is een begin,” zei de burgemeester. “Maar als jullie willen dat dit erkend wordt, dan moeten jullie het zichtbaar maken. Niet voor de fiscus, maar voor het verhaal. Laat zien wat jullie doen. Wie hier werkt. Wat hier herleeft.”
Jannus keek naar de typemachine. “Dus toch een verslag?”
“Geen verslag,” zei ze. “Een getuigenis. En als jullie dat schrijven, dan zal ik het lezen. En als het klopt met wat ik vandaag heb gezien, dan zal ik het doorgeven. Aan wie het moet horen.”
Roy glimlachte. “Dan typ ik het. Op de Adler. En dan mag u het ondertekenen.”
Ze lachte. “Dat lijkt me een eer.”
Plaats een reactie