De Onzichtbare Gast aan Tafel


De woensdagmiddag in De Lege Knip had zijn eigen ademhaling. Zonlicht viel schuin door de hoge ramen en liet stofdeeltjes zweven als kleine gedachten die nergens wilden landen. In de verste hoek, waar de banken hun beste tijd hadden gehad, zat een groepje dat niet opviel en toch niet te missen was. Ze zaten er niet toevallig. Ze zaten er omdat er iets was dat hen bond — iets wat je niet zag, maar wel voelde.

Op tafel stond een schaal met zandkoekjes. Onaangeroerd. Of juist te veelzeggend aanwezig. Ze waren geen traktatie, eerder een stille vraag waar niemand hardop antwoord op gaf.

Miriam hield haar kopje vast met beide handen, alsof ze zich eraan verwarmde.
“Het is alsof er iemand anders in mij woont,” zei ze. “Een gast die niet weggaat. Overdag houdt hij zich stil, maar zodra het schemer wordt… neemt hij het over. En hij heeft honger. Altijd.”

Kees keek op, zijn handen groot en onrustig op tafel.
“Bij mij staat hij voor de koelkast,” zei hij. “Alsof hij iets zoekt wat daar niet ligt.”

Sara zweeg nog even. Haar blik hing ergens tussen de koekjes en het raam.
“Ik dacht dat ik hem kon verslaan,” zei ze uiteindelijk. “Door alles te verbieden. Drie dagen hield ik het vol. Daarna… was het alsof hij terugkwam met versterking.”

Er viel een stilte die niet leeg was, maar vol herkenning zat.

Miriam tekende met haar vinger een cirkel in wat gemorste suiker.
“Het is een kring,” zei ze. “Je vecht ertegen, raakt uitgeput… en precies dan slaat het toe.”

Jannus, die iets verderop stond, knikte langzaam. Hij had dit patroon vaker gezien, in andere vormen, bij andere mensen. Altijd dezelfde beweging: wegduwen wat juist gezien wilde worden.

“Het is geen zwakte,” zei hij rustig. “Het is een mechanisme.”

Hij hoefde het niet uit te leggen. Ze kenden het al, ieder op hun eigen manier.

Het begon zelden met honger.

Sara wist dat inmiddels. Toch zat ze die avond weer aan haar keukentafel, de dag nog zwaar op haar schouders. Blikken, woorden, kleine momenten die bleven schuren. Ze stond op zonder echt te kiezen en liep naar de koelkast. Het licht sprong aan, alsof het haar betrapte.

Kees zat op datzelfde moment in zijn woonkamer, de televisie pratend tegen niemand. De stilte groeide om hem heen. Hij stond op. Liep naar de keuken. Opende een kastje, zonder precies te weten waarom.

En Miriam zat thuis, haar handen in haar schoot.
“Alsof je iemand anders wordt,” had ze gezegd. “Alsof de stem die nog iets wil zeggen gewoon verdwijnt.”

Die stem — zacht, voorzichtig — kreeg geen kans. De drang was sneller. Sterker. Onverbiddelijk.

Tijdens het eten viel er rust.

Geen echte rust, maar een demping.
Sara voelde het terwijl ze at zonder te proeven. Even geen dag, geen schaamte, geen morgen. Alleen dat ene moment.

Kees merkte hoe de wereld kleiner werd, overzichtelijker bijna. Alles wat te groot was geweest, paste ineens in zijn handen.

Het was geen genieten.
Het was verdwijnen.

Maar verdwijnen duurt nooit lang.

De klap kwam altijd. Soms al tijdens de laatste hap.
Sara voelde haar maag protesteren, haar hoofd kantelen. De stilte sloeg om in lawaai: schuld, walging, schaamte.

Kees leunde tegen het aanrecht.
“Waarom?” fluisterde hij.

Er kwam geen antwoord.

Alleen een besluit.
Altijd weer datzelfde besluit.
“Morgen eet ik niets meer.”
“Nooit meer suiker.”

Miriam kende die woorden zo goed dat ze leeg waren geworden.
“Je zet alles op slot,” zei ze zacht. “En juist daardoor breekt het open.”

De volgende dag bracht geen opluchting, maar spanning. Honger die zich opbouwde. Gedachten die nauwer en nauwer gingen cirkelen. Wat bedoeld was als controle, werd de aanloop naar de volgende val.

En zo begon het opnieuw.

Niet bij de maag.
Maar bij het hoofd.

Kees keek naar zijn handen.
“Ik ren dus eigenlijk steeds harder in dezelfde cirkel,” zei hij.

Sara knikte langzaam.
“En hoe meer ik mezelf verbied, hoe sterker die ander wordt.”

Jannus schoof een oud, beduimeld schrift naar het midden van de tafel.
“Misschien,” zei hij, “moet je niet harder rennen. Maar stilstaan. Kijken naar die gast, in plaats van hem weg te jagen.”

Hij tikte zacht op het schrift.
“De man die dit schreef noemde het: honger naar iets wat je niet kunt eten.”

De koekjes bleven liggen.

En ergens, tussen de stilte en de woorden die nog moesten komen, leek het alsof de onzichtbare gast even meeluisterde. Niet verdwenen.

Maar misschien — heel even — gezien.


Ontdek meer van Mijn korte verhalen

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Reacties op “De Onzichtbare Gast aan Tafel”

  1. Karel Avatar

    neem toch een koekje , weg gooien is zonde

    Geliked door 1 persoon

  2. logbankje Avatar

    Miriam en Kees, maar ook Sara hebben een onbekende inwoner, de psychiater spitst zijn oren. Het lijkt mij wel een bijzondere ervaring, maar die dwang voelt niet fijn. Maar las kind heb ik geleerd, loop op de figuren in je dromen af en ga niet opzij. Hans

    Like

Plaats een reactie

Ontdek meer van Mijn korte verhalen

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder