
Op een donderdagochtend waarop de zon zich amper liet zien en de thermosflessen al vroeg leeg waren, was Jolanda bezig met het sorteren van fotolijsten. Meestal kwam er weinig bijzonders langs — vergeelde portretten van onbekende opa’s, vakantiekiekjes met palmbomen uit het analoge tijdperk, en af en toe een tekening van een kind die ooit trots ‘papa’ was genoemd.
Maar in een doos tussen de afgedankte fotolijstjes zat één item dat niet paste. Een houten lijst, licht beschadigd, met daarin een familiefoto: zes mensen, keurig geposeerd voor een haag. Een oudere man met strakke kaaklijn, een vrouw met een bloemjurk, drie kinderen met scheve sokken, en een hond die wegkeek alsof hij wist wat zou komen.
Op het glas was een witte sticker geplakt met dikke zwarte letters:
“Wij missen je ook niet.”
Jolanda dacht eerst aan een grap. Maar Trees, die erbij kwam staan, voelde iets anders. Ze zei niets, maar tilde de lijst op alsof hij breekbaar was in meer dan alleen materie.
Jannus knikte langzaam. “Dat is geen satire. Dat is een zin die ergens heeft liggen gisten.”
Zuster Justina boog zich over de lijst en bleef lang stil. “Niet gemist worden,” fluisterde ze, “is soms het hardste wat je kunt horen.”
De lijst kreeg een plek in de hoek ‘Verhalen zonder uitleg’. Naast een typemachine met een geblokkeerde toets en een boek waarvan het laatste hoofdstuk was uitgescheurd. Het bordje erbij luidde:
“Familie, uitgesproken.”
Binnen een week kwamen de blikken. Sommigen lachten ongemakkelijk, anderen bleven lang staan. Eén jonge vrouw legde een anonieme brief onder de lijst:
“Misschien dachten ze dat ik het was. Maar ik ben er nog.”
Een oudere man vroeg Trees of het een grap was, en zij antwoordde:
“In De Lege Knip weten we: als het grappig lijkt maar pijn doet, is het meestal waar.”
Er kwamen vragen, interpretaties. Was het een verbanning? Een uiting van woede? Of juist een verwerking — dat diepe moment waarop je stopt met hopen dat iemand jou mist?
Een kunstenaar uit Eindhoven maakte een gedicht geïnspireerd op de lijst:
“Ik stond op de foto. Maar ze keken niet. Alleen de hond, Die wist het al.”
Bas hing het gedicht op naast de lijst, en iemand plaatste stiekem een sticker op het glas: “Toch wel.”
De lijst hangt nog steeds. Niet als reliek. Niet als grap. Maar als vraag zonder antwoord. Soms zit een kind eronder te tekenen. Soms laat iemand een bosje bloemen achter. Soms, heel soms, zegt iemand:
“Ik snap het.”
En Trees glimlacht dan zachtjes. Want dat is genoeg.
Geef een reactie op ymarleen Reactie annuleren