
In De Lege Knip arriveert niets zonder bedoeling, zelfs al zeggen de dozen niets. Die ochtend, vlak na het openen, vond Gea twee kartonnen dozen zonder afzender of prijslabel. Alleen een handgeschreven kaartje op de deksel: “Voor de liefhebber.” Ze had net haar koffie nog niet op toen ze de tape opensneed en wat ze zag — dat liet haar hand verstijven.
Een dozijn porseleinen babyhoofden. Alleen de hoofden. Zonder lijf, zonder jas, zonder toelichting. Ze lagen op een bedje van vergeeld krantenpapier, als relieken uit een vergeten kindertijd. De ogen, sommige gesloten, andere hol als kleine echo’s, leken te kijken alsof ze wachtten op iemand die nog wist wie ze ooit waren.
Trees kwam erbij staan. Ze bukte, raakte één van de hoofdjes aan met haar vingertoppen en zei zacht: “Geen speelgoed. Dit zijn gezichten die hun verhaal zijn kwijtgeraakt.”
Er was iets eerbiedigs aan de vondst. Niet luguber, niet kinderlijk — maar stil, broos en vreemd vertrouwd. Elk hoofdje had een andere uitdrukking: een glimlach die scheef wegzakte in craquelé, een frons zo subtiel dat je hem alleen voelde. Eén hoofd was duidelijk ooit geliefd geweest, te zien aan de uitgesleten wangen en verbleekte blos. Op de hals stond met potlood het woord ‘Miep’.
Jannus, die zich normaal vooral bezighield met boeken en magnetrons, kwam erbij en trok zijn wenkbrauwen op. “Twaalf,” zei hij. “Dat is niet zomaar. Dat is een klas, een koor, een verhaal in stilstand.”
In het gastenboek schreef hij bij wijze van grap: “Opstelling: vier in het midden, drie links, drie rechts, twee zwevend. Klas van 1932?”
Maar Trees bleef serieus. Ze legde de hoofden voorzichtig op vilt in de vitrine die normaal gebruikt werd voor vergeten erfstukken. Een porseleinen paus met zonnebril moest wijken, net als het bundeltje liefdesbrieven aan een onbekende ‘R’.
Ze schreef met krijt op een nieuw bordje: “De Hoofdcollectie — wie kijkt, wordt teruggezien.”
Vanaf die middag begonnen mensen te reageren. Een vrouw uit Rotterdam stond stil voor de vitrine, fluisterde: “Die met de frons, dat was bij ons op zolder. Mijn tante zei dat het kon denken.” Een jongen van tien vroeg: “Zitten ze in een verhaal?” Trees antwoordde: “Nog niet. Maar ze wachten.”
Binnen een paar dagen lagen er notities bij elk hoofdje. Bezoekers gaven namen, rollen, zelfs levens. Bij ‘Lourens’ stond: “Was onrustig in de wieg, kon het weer voorspellen.” Bij ‘Truus’: “Vlek onder de kin, bang voor regen.” Eén vrouw schreef een korte biografie bij ‘Bartholomeus’: “Dol op onuitgesproken zinnen en stil verdriet.”
Sommige hoofden werden geadopteerd in fantasie. Eén kunstenaar vroeg of hij ze mocht lenen voor een installatie getiteld “De Fragmentenfamilie – een performance over identiteit en verlies.” Het verzoek werd geweigerd, maar zijn schetsen hangen nu in de hal.
Zuster Justina bekeek de hoofden dagen later, zwijgend, peinzend. “In het klooster hadden we ook poppenhoofden,” zei ze uiteindelijk. “Ze dienden als modellen. Maar niemand keek ze aan zoals hier.”
En zo bleef de Hoofdcollectie in De Lege Knip niet zomaar bestaan — ze leefde. Niet als objecten, maar als spiegels. Als geheugen zonder context. Als gezichten die wachtten op ogen die iets durven herkennen.
Aan het einde van de gang, waar het licht het vitrinekastje nog net raakt, zit soms een kind met een schetsblok. Hij tekent bolletjes, ogen, monden die spreken. Hij kijkt naar de hoofden alsof ze iets willen zeggen, en fluistert:
“Als je een hoofd hebt zonder mond, dan moet je het verhaal zelf vertellen.”
Trees hoorde hem eens. Ze knikte.
“Nog één kopje koffie, Jannus,” zei ze. “We zijn pas net begonnen.”
Geef een reactie op ymarleen Reactie annuleren