No. 69 Tussen Droom en Daad


Het was al bijna negen uur toen Jannus plotseling wakker schoot. Hij had zich verslapen. Met een ruk sprong hij uit bed, waste zich als de weerlicht en greep zijn telefoon.

“Trees, het is even paniek in de tent!” zei hij hijgend.

Aan de andere kant klonk Trees’ rustige stem:
“Rustig Jannus, wat is er aan de hand?”

“I-ik heb me verslapen… ik kom te laat!” stamelde hij.

Trees lachte zacht. “En vanwaar die paniek, Jannus? Ik heb alles onder controle. Maar fijn dat je even belt — dan hoef ik me tenminste geen zorgen te maken.”

“Ik kom er zo snel mogelijk aan,” zei hij, terwijl hij een bakje yoghurt uit de koelkast trok. Trees sprak hem nog even kalm toe voordat ze het gesprek afrondde.

Maar terwijl hij zijn yoghurt naar binnen lepelde, keerde zijn onrust terug. Waarom had hij zich verslapen? Hij was normaal nooit zo van zijn stuk.

Gisteravond had hij nog een discussie op televisie gekeken over armoede — met felle woorden over het kapitaal, de rechtse politiek, en de vermeende machteloosheid van het socialisme. Armoede kende Jannus. Hij had het van dichtbij meegemaakt. Maar dat eeuwige wijzen naar “het systeem” irriteerde hem soms. Het lag allemaal genuanceerder dan dat.

Toch voelde hij dat er iets anders speelde. Alsof er in de nacht iets gebeurd was. Een droom misschien? Een herinnering? Iets lag op de bodem van zijn bewustzijn, net buiten bereik.

Hij schudde het van zich af, pakte zijn jas en sprong op de fiets. Maar de gedachte bleef knagen. Zo erg zelfs, dat hij een auto van rechts bijna over het hoofd zag.

Een felle claxon sneed door de ochtendlucht. Jannus schrok zich rot en trapte hard op de rem. Met bonzend hart zette hij zijn fiets aan de kant en bleef even staan.

Dat was op het nippertje. Eén seconde later en hij had onder die auto gelegen. Geen excuus zou dat rechtgezet hebben — geen verslapen, geen droom, geen politiek betoog.

Na een paar minuten ademhalen stapte hij weer op. Tien minuten later arriveerde hij bij De Lege Knip. Wat er die nacht ook was gebeurd, het zou hem voorlopig niet meer loslaten.

Jannus zette zijn fiets op slot en liep De Lege Knip binnen. Nog voor hij goed en wel binnen was, klonk er een plagerige stem vanuit de hoek:
“Zo, en daar hebben we onze slaapkop!”

Een paar mensen grinnikten. Jannus probeerde te glimlachen, maar het lukte maar half. Trees kwam meteen op hem af, haar blik vriendelijk, maar oplettend. Ze had tijdens het telefoongesprek zijn spanning al gevoeld.
“Hoe is het? Gaat het al weer een beetje?”

Jannus haalde zijn schouders op. Zijn ogen stonden dof.
“Laat mij maar even zitten. Ik had wel in het ziekenhuis kunnen liggen. Dat heb je ervan als je niet oplet en met je kop bij andere dingen zit.”

Samen liepen ze naar het kleine kantoortje achter in de zaak. Jannus zakte neer op een stoel, legde zijn hoofd in zijn handen en zuchtte diep. Trees legde kort een hand op zijn schouder, gaf een klein knikje en liep toen verder — naar twee klanten die net een schilderijtje bewonderden.

“Dat is een bijzonder stuk,” hoorde Jannus haar even later zeggen.
“Er zit een verhaal aan vast, over de schilder én de plek waar het vandaan komt.”

Jannus hoorde het allemaal maar half. Zijn hoofd tolde nog steeds. Hij wreef in zijn gezicht, als om wakker te worden. Maar wat hem écht wakker hield, was dat vage, knagende gevoel. Wat was er in hemelsnaam gebeurd in de nacht? Waarom had hij zich zo diep verslapen?

Er flitste een beeld door zijn hoofd — een dun, lichtgevend lijntje. Een lijn. Van A naar B. Van verleden naar toekomst. Of van bewustzijn naar vergetelheid?

“Heb ik dan gedroomd? Of misschien wel héél zwaar gedroomd?” mompelde hij hardop.

Zijn gedachten dwaalden af naar het televisiedebat van gisteravond. Armoede. Kapitaal. Politieke onmacht. Ja, dat had indruk op hem gemaakt, maar was dat genoeg om zó te crashen in zijn slaap?

Hij kwam er niet uit. En diep vanbinnen voelde hij: het zat ergens dieper, achter het scherm van woorden en beelden. Iets was er geraakt — maar wat?

Met een zucht stond hij op, rekte zich uit en klopte zichzelf mentaal wakker.
“Vooruit dan maar. Tijd om weer aan het werk te gaan.”

Rond half één, zoals iedere dag, kondigde het vertrouwde geluid van het pruttelende koffiezetapparaat het begin van de pauze aan. De geur van verse koffie trok door de ruimte als een stille belofte. Trees liep alvast richting de keukentafel, zette drie kopjes neer en riep:
“Jannus? Peter? Koffie!”

Even later kwamen ze binnen, Peter in zijn vaste ritme, Jannus nog wat afwezig, alsof hij een eindje achter de tijd aanliep.

Trees schonk de koffie in. “Zo. En nu even zitten en niks meer over klokken of auto’s van rechts,” zei ze luchtig, maar met een ondertoon van zorg.

Peter nam het woord:
“Maar even serieus, Jannus. Je hebt je niet zomaar verslapen. Iets heeft je beziggehouden. Wat is dat met dat lijntje waar je het steeds over hebt?”

Jannus hield zijn mok even in beide handen en staarde naar het oppervlak alsof daar antwoorden in konden opborrelen.
“Ik weet het niet. Het kwam zomaar op. Een droom misschien. Maar het voelde zó sterk. Alsof er een lijntje liep. Van ergens naar ergens. Niet zomaar een lijn, maar eentje die iets betekende.”

Trees keek hem aan.
“Een grens, een verbinding?”

Jannus knikte. “Misschien. Of iets wat ik vergeten ben. Iets wat nog komt. Geen idee. Maar het laat me niet los.”

Peter haalde zijn schouders op.
“Lijntjes zijn er overal. Tussen mensen, tussen ideeën. Misschien liep dat lijntje vannacht door je hoofd omdat je ergens op moet letten.”

“Of omdat je iets moet loslaten,” vulde Trees aan. “Soms zijn dromen geen waarschuwing, maar een uitnodiging. Een opening naar iets nieuws.”

Jannus zuchtte en keek hen dankbaar aan.
“Misschien moet ik het maar even laten sudderen. Net als die koffie. Komt vanzelf wel boven wat er écht speelt.”

Trees glimlachte:
“Of het loopt gewoon dóór je leven heen. Zo’n lijntje dat je steeds weer kruist, tot je op de plek komt waar je het herkent.”

De drie dronken zwijgend hun koffie. Buiten blafte een hond, ergens sloeg een kerkklok, maar binnen was het rustig. Een pauze, een moment tussen A en B.

Omstreeks half drie ging bij Trees de telefoon. Ze hoefde maar één blik op het scherm te werpen om te weten wie het was — nummerherkenning maakte dat tegenwoordig makkelijk.

“Goedemiddag mevrouw de burgemeester, waar kan ik u mee helpen?”

“Ook goedemiddag Trees. Ik heb een vraag aan jullie, maar ik zou dat liever persoonlijk bespreken. Zou het schikken als ik vanmiddag rond vijf uur even langskom?”

Trees keek automatisch op de klok.
“Voor mij zou dat kunnen, maar ik stem het wel even af met Jannus.”

Ze legde de telefoon behoedzaam op de balie, liep richting de werkruimte en tikte op de rand van Jannus’ bureau.
“Jannus, de burgemeester wil om vijf uur even langskomen om iets met ons te bespreken. Is dat goed?”

Jannus keek op van zijn aantekeningen en knikte zonder aarzeling.
“Dat is altijd goed. Zeker voor haar maken we tijd.”

Terug bij de telefoon nam Trees de hoorn weer op.
“Dat is geregeld, mevrouw de burgemeester. We ontvangen u graag om vijf uur.”

Het gesprek werd met vriendelijke woorden afgesloten. Trees bleef nog even staan, haar blik gericht op het raam waar het licht van de middag al wat zachter werd. Ze vroeg zich af wat de burgemeester op het hart had — een verzoek, een plan, misschien iets onverwachts.

Klokslag vijf uur klinkt het zachte gerinkel van de deurbel, gevolgd door het krakende geluid van een fietsstandaard die wordt uitgeklapt. De burgemeester stapt binnen met een stralende lach op haar gezicht — haar wangen rood van de wind, haar ogen vrolijk onderzoekend.

Trees, die net een stapel tijdschriften rechtzette, ziet haar meteen. Die lach, die open houding, het was alsof ze een warme golf de winkel binnen bracht.
Ook Jannus, bezig met het uithangen van een vintage jasje, kijkt op. Maar precies op dat moment flitst er iets door zijn hoofd — een helder lijntje, als een krijtstreep door een donker bord. Lijntje – burgemeester – wat wil dit me zeggen? vroeg hij zich af, maar er was geen tijd om erbij stil te staan.

Trees gaf Peter met een kleine hoofdbeweging de opdracht de winkel draaiende te houden, waarna ze samen met de burgemeester en Jannus naar het kantoortje liep. Daar sloot ze de deur zacht achter zich.

“Vooraf even,” begon Trees vriendelijk, “Jannus heeft zich vanochtend verslapen, en sindsdien zweeft hij een beetje tussen nu en ergens anders. Dus vergeef het hem als hij af en toe wat afwezig lijkt.”

De burgemeester glimlachte begripvol.
“Ach, dat overkomt ons allemaal wel eens. En misschien hoort dat zweven soms ook wel bij de mooiste inzichten.”

Jannus knikte vaag, maar bleef stil. Het lijntje liet hem niet los.

De burgemeester schoof haar stoel wat dichterbij en keek hen beiden aan.
“Ik kom vandaag met een verzoek. Of beter gezegd: een idee. De gemeente organiseert dit najaar een serie publieksavonden over hoop en herstel. We zoeken plekken in de stad die meer zijn dan bakstenen en stoelen. Plekken met een ziel, waar verhalen leven. En De Lege Knip… wel, die staat bij velen bovenaan dat lijstje.”

Trees keek op, verrast.
“U bedoelt… dat hier zo’n avond zou kunnen plaatsvinden?”

“Juist,” antwoordde de burgemeester. “Een avond vol kleine verhalen, misschien een muziekstuk, wat poëzie, een gesprek. Een ontmoetingsplek buiten het officiële gemeentehuis, waar mensen elkaar anders aankijken.”

Jannus haalde langzaam adem. Dat lijntje. Nu voelde hij het anders. Als een verbinding — niet van macht, maar van betekenis. Misschien had zijn droom hem willen zeggen dat de lijnen tussen mensen, als je goed keek, overal liepen. Onzichtbaar soms, maar echt.

“Ik vind het een mooi idee,” zei hij zacht.
Trees knikte instemmend.
“Wij doen mee. De Lege Knip is er tenslotte juist voor zulke avonden.”

De burgemeester straalde. “Dan zijn we het snel eens. Ik kom binnenkort met een concrete opzet. En wie weet,” voegde ze er met een knipoog aan toe, “gaat dat lijntje in je hoofd nog wel verder tekenen, Jannus”.

Wanneer de burgemeester vertrokken is en de winkel langzaam weer in haar rustige middagritme glijdt, blijft Jannus nog even voor zich uit staren. Hij heeft nauwelijks een woord gezegd tijdens het gesprek, maar nu, alsof een slot opengaat, komt het eruit.

“Trees… Peter… ik weet het weer. Het kwartje is gevallen.”

Trees kijkt op van de stapel serviesgoed die ze net ordent. Peter komt met zijn koffiemok uit het magazijn. Jannus zit nog steeds in de stoel in het kantoortje, iets schuiner dan eerder, alsof hij zich eindelijk durft te laten zakken in een inzicht dat zich lang niet liet pakken.

“Ik had vannacht een droom,” begint hij. “En daarin vroeg ik me af… hoe het in vredesnaam mogelijk is dat wij hier, in De Lege Knip, al die tijd zo ontzettend veel steun hebben gehad. Van de gemeente, van de mensen, van—ja—vooral de burgemeester. Terwijl ik gisteren op televisie die verhitte discussie zag over armoede, politieke tegenstellingen, het systeem dat zou falen…”

Hij pauzeert even en kijkt naar buiten, waar een vrouw met een boodschappentas langs het raam loopt.

“Toen kwam het lijntje. In die droom. Een lijn die ergens heen liep, maar ik wist niet waarheen. Nu weet ik het: het is de band tussen wat wij hier doen en wat zij, daar, misschien óók voelen. Het lijntje tussen De Lege Knip en de burgemeester. Tussen Trees en haar. Dat kan niet anders.”

Peter grinnikt. “Dan mogen we wel van geluk spreken, met zo’n lijntje heb je er tenminste wat aan.”

Jannus knikt. “Ja, maar vergeet niet: dat lijntje loopt sterker tussen Trees en de burgemeester dan met ons. Dat zie je zo.”

Trees steekt beslist haar hand op. “Mannen, luister. Ja, ik kan het goed vinden met de burgemeester. Maar zij heeft mij vaak gezegd dat ze vooral een zwak heeft voor wát wij hier doen. En dat doen we samen. Dat lijntje? Dat is van ons allemaal.”

Even valt er een stilte. Jannus wrijft met zijn hand over zijn voorhoofd en schudt zijn hoofd.

“Maar hoe is het in godsnaam mogelijk dat ik iets heb gedroomd dat vandaag gewoon écht plaatsvond?”

Trees kijkt hem aan, haar blik een mengeling van warmte en lichte spot.

“Misschien, Jannus, was het geen droom. Misschien was het een herinnering aan iets dat nog moest gebeuren.”

Peter leunt tegen de deurpost, zijn mok half leeg.
“Of een lijntje naar morgen.”

En in de verte, buiten, klonk de verre lach van een kind dat met een ballon langs de stoep liep. Een dun touwtje — een lijntje — stevig in kleine handen.


Ontdek meer van Mijn korte verhalen

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Reacties op “No. 69 Tussen Droom en Daad”

  1. ymarleen Avatar
    1. ymarleen Avatar

      Sorry, moest bij Jan Sierhuis ….doe maar weg aub

      Like

  2. ymarleen Avatar

    Soms komen dromen uit 🙂

    Like

Geef een reactie op ymarleen Reactie annuleren

Ontdek meer van Mijn korte verhalen

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder