
Het was een druilerige dinsdagmiddag en de regen tikte zachtjes tegen de grote ramen van De Lege Knip. Binnen was het behaaglijk warm. De geur van koffie en appeltaart hing in de lucht, en rond de leestafels werd levendig gediscussieerd. Het onderwerp van de dag: de jacht.
“Het is toch barbaars,” vond Reineke, haar hand om een dampende mok geklemd. “Dieren afschieten voor je plezier. Dat is iets uit de middeleeuwen.”
Peter haalde zijn schouders op. “Nou, er zit ook een praktische kant aan. Wildbeheer, overpopulatie, bescherming van jonge aanplant… het is niet allemaal bloeddorstigheid, hoor.”
Trees keek bedachtzaam op van de krant. “Misschien moeten we iemand uitnodigen die het echt doet. Iemand die jaagt. Dan kunnen we tenminste praten met kennis van zaken.”
Het voorstel werd opgepakt, en nog geen week later stond er een man in donkergroene broek, leren jas en een verweerde hoed met veertje in de deuropening. Hij stelde zich voor als Koenraad de Wilde, jager, bioloog én verhalenverteller.
Jannus nam hem mee naar de leestafel, waar inmiddels een groep nieuwsgierige Knippers zat te wachten.
Koenraad knikte vriendelijk rond. “Ik snap de emotie die jacht oproept. Maar laat me een paar dingen uitleggen. Jagen zoals ik het doe, is onderdeel van natuurbeheer. Als er te veel reeën zijn, gaan ze verhongeren in de winter. En vossen? Die vreten soms hele weidevogelpopulaties weg.”
“Maar waarom moet het dan met geweren?” vroeg Bertus voorzichtig. “Kun je ze niet gewoon vangen en verplaatsen?”
Koenraad glimlachte. “Dat klinkt mooi, maar is in de praktijk niet haalbaar. Het veroorzaakt enorme stress bij de dieren, en het verplaatsen van wilde dieren brengt risico’s met zich mee voor andere gebieden.”
Reineke fronste. “Maar je haalt toch een leven weg?”
“Zeker,” zei Koenraad ernstig. “En dat mag je nooit licht opvatten. Daarom is een goede jager altijd iemand met respect. Geen cowboy. Ik schiet nooit meer dan strikt noodzakelijk, en altijd snel en zuiver. Geen dier mag onnodig lijden.”
Marijke knikte langzaam. “En het vlees?”
“Dat eet ik zelf of gaat naar een poelier. Het dier krijgt dus betekenis tot in de keuken.”
Er viel een stilte. Zelfs Trees leek onder de indruk.
Koenraad haalde een klein, licht verweerd gewei uit zijn tas. “Dit is van een reebok die ik in de zomer heb moeten afschieten. Hij was oud, zwak en had zijn territorium niet meer onder controle. Andere bokken vielen hem aan. Hij zou anders een langzame, pijnlijke dood gestorven zijn.”
Hij legde het gewei op tafel. “Voor mij is dit geen trofee, maar een herinnering. Aan een dier dat ik kende, en waarvoor ik verantwoordelijkheid voelde.”
Na afloop bleef het nog lang stil bij de koffietafel. Bertus draaide het gewei in zijn handen. “Nooit gedacht dat ik begrip zou krijgen voor jagers,” mompelde hij. “Maar deze man… die weet waar hij het over heeft.”
En zo kwam er die middag geen eenduidig oordeel, maar wel iets wat in De Lege Knip zeldzamer was dan een gewei: nuance.
Geef een reactie op bertjens Reactie annuleren