
Het was alweer een paar weken geleden dat de burgemeester langs was geweest met een voorstel dat nieuwsgierigheid opriep en tegelijk vragen opriep: de organisatie van publieksavonden in de gemeente, met als thema Hoop en Herstel. Trees en Jannus hadden er destijds volmondig mee ingestemd—hun instinct zei ja—al wisten ze nog niet precies wat de burgemeester daar nu eigenlijk mee bedoelde.
Trees had een paar dagen na het bezoek gebeld, benieuwd naar de invulling, maar kreeg toen een vriendelijk doch vaag antwoord: “Het is nog in voorbereiding,” had de burgemeester gezegd, “de ambtenaren zijn er nog mee bezig.”
En nu, eindelijk, was er een mail binnengekomen. In grote lijnen werd daarin geschetst wat de bedoeling was: een reeks avonden waarin inwoners hun wensen in de gemeente uiten. Het gemeente bestuur en de ambtenaren kregen te weinig informatie uit de bewoners van de gemeente. En om beleid te voeren wilde de gemeente zien hoe ze beter met de inwoners in contact konden komen. Over wat mensen op de been houdt als het leven haperde.
“En dan zullen de politieke partijen zich ook wel gaan mengen,” mompelde Jannus terwijl hij een stoel bijdraaide. “Die mensen die ons moeten vertegenwoordigen, maar meestal precies het tegenovergestelde doen.”
Een paar dagen later verscheen er opnieuw een mail van de gemeente in de inbox van De Lege Knip. Trees opende hem met een mengeling van nieuwsgierigheid en lichte argwaan.
Ze las de tekst langzaam hardop voor, terwijl Jannus luisterde en met zijn vinger een denkbeeldig patroon op het tafelblad tekende.
“Datum vastgesteld: 23 oktober. De publieksavonden worden in totaal op zes locaties gehouden, verspreid over de gemeente. Ook hier, bij ons dus.”
Jannus knikte zonder op te kijken.
“De aankondigingen worden in het hele dorp opgehangen,” ging Trees verder, “en de gemeente zorgt voor de verspreiding.”
Ze zweeg even bij de volgende zin. “Er komt een ambtenaar mee. Niet om te praten, maar als gespreksleider. Strak, staat er.”
Trees las door: “Iedereen is welkom, ook gemeenteraadsleden. Maar ze mogen alleen luisteren. Alleen als hen iets gevraagd wordt, mogen ze reageren.”
Zuster Justina, die net met een stapel boeken uit de mini-bibliotheek kwam, snoof zachtjes. “En wie bepaalt wanneer iets gevraagd wordt?”
“De gespreksleider,” zei Trees. “Die moet het dus in goede banen leiden.”
Trees sloot af: “De consumpties worden door de gemeente aangeboden. ‘Voor de uitverkoren ruimtebeheerders is er een regeling getroffen om gemaakte kosten te kunnen declareren. Reiskosten, schoonmaak, gebruik van faciliteiten, etcetera. Nadere specificaties en onkostenformulieren volgen nog.’”
Jannus keek op van zijn klus met een kapotte lamp. “Uitverkoren ruimtebeheerders?” herhaalde hij langzaam. “Klinkt alsof we in een koninklijk register zijn bijgeschreven.”
“Dat staat er niet bij,” zei Trees. “Maar ik vind het ergens wel netjes. Niet iedereen heeft zomaar geld over voor de verwarming of het schoonmaken achteraf.”
Trees keek weer naar het scherm. “We moeten het alleen nog even nader specificeren. Wat dat dan ook precies betekent.”
“Dat betekent formulieren,” mompelde Justina terwijl ze al naar de kast liep om een map ‘Overheid’ te zoeken.
Op de ochtend van 23 oktober was het in De Lege Knip al vroeg rumoerig. De leesruimte, normaal gevuld met boekentorens, oude fauteuils en een zacht geritsel van bladzijden, was vandaag grotendeels leeggehaald.
De grote tafels waren naar de zijkant geschoven, stoelen in nette rijen gezet — of in elk geval zo recht als Jannus het voor elkaar kreeg met zijn oude waterpas. De ruimte had iets van een buurthuiskamer met ambities gekregen.
Er zouden maximaal zestig mensen kunnen komen, en daarop was alles afgestemd: zestig stoelen, zestig kopjes, zestig schoteltjes. Trees had de voorraad drie keer nageteld, Justina had alvast koekjes op schalen gelegd, en zelfs Peter had zich over het koffieapparaat gebogen alsof hij een technische installatie bediende.
“Zestig mensen,” mompelde Trees terwijl ze de laatste servetten op tafel legde. “Dat is veel voor een avond over hoop, maar weinig voor alles wat er te zeggen valt.”
“En toch precies genoeg,” zei Jannus, terwijl hij een verloren stoelpoot rechtduwde. “Als ze maar echt komen. Niet alleen met hun jas aan, maar ook met hun verhaal.”
Buiten begon het lichtjes te regenen. Binnen verspreidde zich langzaam de geur van versgezette koffie, een vleug kaneelcake, en iets dat leek op verwachting.
Tegen half acht stroomden de eerste bezoekers binnen. Sommige voorzichtig, anderen als vaste klanten. De regen was inmiddels opgehouden, maar je kon aan de natte jassen zien dat het nog maar net droog was.
De leesruimte van De Lege Knip was haast onherkenbaar: warm verlicht, met stoelen in rijen, zachte achtergrondmuziek — een oude LP van Ramses Shaffy draaide zachtjes op de platenspeler. Aan de zijkant stond een lange tafel met koffie, thee, koekjes en een dampende pan gemberthee die Justina had meegenomen ‘voor wie iets meer nodig heeft dan cafeïne’.
Precies om acht uur klonk er een bescheiden kuchje bij het spreekgestoelte — een oude lessenaar uit een voormalige basisschool — en daar stond hij dan: de ambtenaar. In een keurig jasje, licht nerveus maar zichtbaar betrokken.
“Goedenavond allemaal,” begon hij. “Mijn naam is Laurens de Bruin, ik ben van de afdeling Samenleving en Welzijn van de gemeente. Allereerst wil ik De Lege Knip bedanken dat we hier vanavond mogen zijn. En u allen — voor uw komst.”
Hij pauzeerde even, keek rond, leek zijn woorden zorgvuldig te kiezen.
“Deze avond is er voor bedoeld om als gemeente te luisteren naar wensen van de inwoners, Ik ben hier niet om te spreken, maar om te luisteren en het gesprek te begeleiden waar nodig. Alleen wie wil spreken, spreekt. En wie wil luisteren, luistert.”
Hij knikte kort. “We beginnen dichtbij, zoals afgesproken, met iemand van De Lege Knip zelf. Jannus, zou jij willen aftrappen?”
Er ging een zacht applaus op toen Jannus naar voren liep, zijn handen losjes in de zakken. Hij keek even naar Trees, knikte kort naar Justina, en begon:
“Toen ik hier jaren geleden voor het eerst binnenkwam, was ik nog niet helemaal terug,” begon Jannus, terwijl hij zijn blik door de zaal liet glijden. “Ik had veel achtergelaten. Werk. Gezin. Toekomstverwachting. Alles zat onder het stof — of lag ergens in een depot waar niemand meer naar omkeek.”
Hij zweeg even. “Wat ik toen vooral miste, was zichtbaarheid. Ik was er wel, maar ik viel buiten het zicht van de mensen die moesten zien. De gemeente, de instanties. Ik had geen vaste woonplek meer, geen brievenbus. Dus hield het op.”
Een paar mensen in de zaal knikten langzaam.
“Maar hier, in De Lege Knip, kwam ik tussen mensen die ook iets kwijt waren geraakt. Soms een stoel. Soms een naam. Soms zichzelf. En stap voor stap vond ik iets terug wat ik kwijt was: taal. Iemand die vroeg: ‘Hoe gaat het met je?’ zonder formulier. Iemand die bleef luisteren ook als het antwoord niet helder was.”
Hij keek op naar Laurens, de ambtenaar, die hem ernstig aankeek.
“En daar begint herstel, geloof ik: bij het idee dat je verhaal er nog mag zijn. Ook al is het beschadigd. Juist dan. Maar daarvoor moet je wel eerst gezien worden. En eerlijk gezegd: dat gebeurt te weinig. Zeker voor mensen zonder dak. Zonder postadres. Zonder stem.”
Het bleef even stil.
“Dus,” voegde hij eraan toe, “misschien begint hoop wel daar: bij het opmerken van wie anders verdwijnt in de marge van een Excelsheet.”
Er viel een stilte in de zaal. Geen ongemakkelijke, maar eentje waarin je voelde dat er iets was aangeraakt.
Daarna volgden er meer verhalen. Het leek alsof de woorden van Jannus een sluier hadden opgelicht. Eerst voorzichtig, toen met meer vertrouwen, gingen er handen omhoog. Wat begon als een avond over innerlijk herstel, werd langzaam ook een avond over het weefsel van de stad.
Een oudere vrouw vertelde over haar wijk, waar de stoeptegels loslieten en de rollators bleven steken tussen de kieren. Ze had al drie keer melding gedaan, “maar het systeem ziet pas iets als je het heel hard roept, en ik ben meer van het zachte praten.”
Een jonge man — pet achterstevoren, nerveus met zijn sleutels spelend — sprak over hondenpoep. Niet als grap, maar als frustratie. “Ik heb geen tuin. Ik woon met m’n vriendin en baby op drie hoog. En als je dan even naar buiten wil, moet je slalommen over het grasveldje achter de flat.”
De microfoon ging door.
Een gepensioneerde lerares hief haar hand: “Het ouderenbeleid is hier vooral beleid. Er is een lijst, een folder, een loket. Maar geen mens die vraagt of ik het red, of gewoon even een boodschap met me wil doen.”
Een man die zijn stem oversloeg toen hij begon, vertelde over de verpaupering van een leegstaand winkelpand tegenover zijn huis. “Vroeger zat daar een bakker. Nu is het dichtgetimmerd. Er wonen ratten. En wij kijken er elke dag op uit.”
En iemand anders vulde aan: “Het hele centrum loopt leeg. Jongeren trekken weg. Winkels verdwijnen. Waarom wordt er niet geïnvesteerd in leven in plaats van alleen stenen?”
Tot slot kwam, bijna als vanzelfsprekend, het onderwerp belastingen ter sprake.
Een vrouw uit de zaal zei: “Ik snap best dat er betaald moet worden, maar het voelt krom. Ik moet kiezen tussen het betalen van de afvalstoffenheffing of de verwarming. En als ik dat bij de gemeente aankaart, krijg ik een automatisch antwoord.”
Er werd niet geschreeuwd. Geen populisme. Alleen bezorgde stemmen, vermoeide vragen, en een gedeeld gevoel: we zijn wel degelijk bereid om bij te dragen — als er maar geluisterd wordt.
Laurens, de gespreksleider, zat stil met zijn notitieblok. De raadsleden zwegen, zoals afgesproken. Maar hun blikken verraadden dat de avond niet zonder gevolg zou blijven.
Trees leunde tegen de muur bij de koffiehoek. Ze had niks meer te doen, behalve luisteren. En precies dát — luisteren — was deze avond het waardevolste werk geworden dat iemand kon doen.
De ambtenaar schreef iets op een notitieblok, maar zweeg. De raadsleden knikten, sommigen met de blik van iemand die net iets belangrijks had meegekregen — zonder dat het in cijfers te vatten viel.
Maar toen gespreksleider Laurens de volgende spreker wilde aankondigen, ging er achterin een hand omhoog. Het was Peter, vaste vrijwilliger van De Lege Knip, meestal zwijgzaam en meer van het aanpakken dan het praten. Maar nu stond hij op, zijn pet nog in de hand.
“Mag ik dan nu ook een vraag stellen aan de mensen die normaal alles besluiten?” vroeg hij, recht de zaal in.
Laurens knikte, aarzelend. “Als u een gemeenteraadslid bedoelt: ze mogen antwoorden, maar alleen als er een directe vraag wordt gesteld.”
Peter draaide zich om, keek de paar raadsleden in de zaal aan. Geen spot, geen boosheid — maar oprechte nieuwsgierigheid.
“Als jullie vanavond horen wat hier verteld wordt — over verlies, over kleine daden die groot voelen, over stoelen met losse poten die weer vastgezet worden — wat gaan jullie dan anders doen morgen?”
Er ging een geritsel door de zaal. Eén van de raadsleden, een vrouw van begin veertig met een felgroene sjaal, stak haar hand voorzichtig op. Laurens knikte.
“Ik denk,” zei ze langzaam, “dat ik voortaan twee keer nadenk voordat ik weer een beleidsstuk goedkeur waarin staat dat ‘zelfredzaamheid’ het uitgangspunt is. Want als ik vanavond iets heb geleerd, is het dat mensen niet altijd hoeven te ‘redden’, maar vooral ruimte moeten krijgen om weer aan te haken. En dat begint hier. Niet in een rapport.”
Een ander raadslid, grijzend, met een vergaderblik die even uit het lood was geslagen, voegde eraan toe: “We hebben vaak onze mond vol over participatie. Maar misschien begint echte participatie wel met luisteren — zó luisteren als we vanavond hebben gedaan.”
Peter knikte. “Dan hoop ik dat jullie blijven luisteren. Niet alleen op avonden met koffie en cake. Maar ook als iemand iets vraagt op straat, bij de bushalte of in de supermarkt.”
Er klonk zacht applaus. Geen ceremonieel geklap, maar een spontaan gebaar van bijval — alsof de hele zaal tegelijk begreep: dit ging ergens over.
Laurens liet zijn blik langzaam over het publiek glijden. Hij leek even iets te willen zeggen, slikte toen zijn zin in en sprak zacht:
“Misschien is dat… al het begin van herstel tussen mensen en politiek.”
En daarmee sloot hij de avond officieel af.
Maar niemand stond op.
De stoelen bleven gevuld, de koffie werd bijgeschonken, en het geroezemoes zwol aan tot een nieuwe stroom van stemmen. Verhalen die opborrelden nu het formele kader verdwenen was.
Een vrouw vertelde aan een raadslid hoe ze haar buurman was kwijtgeraakt aan schuldenstress. Een man sprak met Trees over de jeugd die ’s avonds nergens meer naartoe kan. Er werd gelachen, een traan weggeveegd, een telefoonnummer genoteerd.
De raadsleden bleven — zonder notitieblok, zonder houding. Sommigen met een tweede kop koffie in de hand, anderen op een stoel die ze naar een kring hadden toegetrokken.
En ergens in de hoek, bij de boeken, fluisterde Zuster Justina tegen Jannus: “Waar een luisterend oor al niet goed voor is.”
Jannus knikte. “Misschien moeten we gewoon elke maand zo’n avond houden. Zonder thema. Alleen de stoelen, de koffie en het oor.”
Justina glimlachte. “Dat is misschien wel het mooiste thema van allemaal.”
Geef een reactie op bertjens Reactie annuleren