
Het was op een grijze donderdagochtend dat de vrachtwagen kwam. Geen luxe meubeltransport, maar een tweedehands bakwagen met een versleten zeildoek, afkomstig van een oud verhuisbedrijf uit het oosten van het land. De motor pruttelde nog na toen de chauffeur uitstapte.
“Hier moeten we zijn?” vroeg hij, terwijl hij zijn blik liet glijden over het afgetrapte schoolgebouw dat De Lege Knip huisvestte.
Trees knikte. “Ja, en we hebben ruimte. Meer dan je denkt.”
In de laadruimte lagen de onderdelen van een 18e eeuws Hollands Noten- en wortelnotenhouten kabinet staande op klauwpoten met verguld bronzen beslag, zorgvuldig in dekens gewikkeld, alsof het familie-erfstukken betrof — wat het ook waren. De kast was ooit het pronkstuk van een boerderij in de Hoeksche Waard. Notenhout, met houtsnijwerk van tulpen en druivenranken. De top, een sierlijke kroonlijst met de initialen van het echtpaar dat hem ooit liet maken, mat 2 meter 85. Vroeger een teken van rijkdom. Nu te groot, te oud, te veel.
Er waren dozen bijgeleverd. Met serviezen in zachtgele kranten gewikkeld, elk kopje nog voorzien van goudrandjes. Het bijbehorende zilveren bestek lag in fluwelen foudralen. Jaren geleden had je daar meer dan tien duizenden euro’s voor betaald. Nu was het leuren. Het stond al maanden op Marktplaats. Niks. De kinderen wilden het niet. Het paste nergens. “Dan liever De Lege Knip,” had de eigenares gezegd. “Daar kunnen mensen het verhaal nog zien.”
“Waar moet hij staan?” vroeg Jannus, terwijl hij voorzichtig een van de zijpanelen op een kar duwde.
“In ieder schoollokaal is de hoogte minstens drie meter,” zei Trees. “Dus we kunnen kiezen. Maar dit is iets bijzonders. Die kast moet ruimte krijgen. En adem.”
Ze kozen het voormalige aardrijkskundelokaal. De muren waren nog voorzien van oude ophangrails, het schoolbord hing er nog, scheef. Maar het daglicht viel er royaal naar binnen, en dat gaf alles iets eerlijks. Met vereende krachten zetten ze het kabinet rechtop, voorzichtig balancerend tot de kroonlijst als laatste werd geplaatst.
Het Notenhout glom zacht in het ochtendlicht. Even leek het alsof de kast opgelucht zuchtte.
“Hier hoort-ie,” zei Trees. “Tussen het vergeten en het gevonden.”
De dozen met servies en bestek kregen een plekje in het kabinet, waar het waarschijnlijk altijd had gestaan of gelegen. Ieder bord kreeg een kaartje. ‘Gebruikt op huwelijksfeest in 1953.’ Het zilveren bestek kwam weer in de fluwelen foedralen. ‘Laatste lepel waarmee opa Haveman zijn vla at.’ Met de deuren en de laden open werd het een waardig museumstuk en een fluisterend archief. Alles ademde verleden. En iets anders: waardigheid.
Even later kwam een jongen binnen, een jaar of twaalf, nieuwsgierig. Hij bleef staan bij de kast en wees naar het houtwerk. “Waarom zitten daar druiven op?” vroeg hij.
Jannus glimlachte. “Dat betekent overvloed. Vroeger dacht men: als je druiven hebt, heb je het goed.”
De jongen knikte langzaam. “Mijn oma had zoiets. Maar niet zo groot.”
Hij liep verder, nam een koekje van het tafeltje en keek nog één keer om.
In de weken die volgden kwamen er meer mensen. Niet met folders of gidsen in de hand, maar met herinneringen. Ze kwamen voor het oude boerenkabinet — of liever gezegd: voor wat het in hen losmaakte. Dromen, geuren, het kraken van een houten vloer in een boerderij die allang niet meer bestaat.
Sommigen streken neer op de houten stoelen tegenover de kast, alsof ze bij een stille wachtpost hoorden. Anderen maakten foto’s, voorzichtig, zonder flits. Niemand raakte het hout aan. Het had een soort vanzelfsprekende waardigheid gekregen — alsof het kast zelf bepaalde hoe dichtbij je mocht komen.
Een vrouw van midden zestig fluisterde:
“Mijn ouders hadden ook zo’n kast. Met zo’n dubbele lade. Daar lagen de geboortekaartjes in. Van mijn broer die we zijn kwijtgeraakt.”
Een man met een wandelstok bleef lang staan bij het servies.
“Wij dekten vroeger op zondag met precies zulke borden. En je mocht niks morsen, anders kreeg je geen vla.”
Steeds opnieuw klonk het zinnetje:
“Bij ons zou zoiets nooit passen.”
Of:
“Daar hebben wij geen plafond voor.”
En toch kwam niemand om het mee te nemen. Dat hoefde ook niet. De kast hoorde daar, in dat oude schoollokaal dat ooit bestemd was voor topografie maar nu een kaart was van herinnering.
Het boerenkabinet was geen koopwaar meer. Geen overblijfsel van een verloren klasse. Het was een getuige geworden. Van stijl, ja. Maar vooral van tijd.
En wie goed keek, zag in het hout niet alleen druivenranken. Maar ook iets anders:
Hoe rijkdom niet altijd in bezit zit, maar soms juist in het loslaten — en in het kunnen delen van een verhaal dat groter is dan je woonkamer.
Geef een reactie op logbankje Reactie annuleren