De Leestafel van Afscheid


Robert stond voor het raam van zijn oude huis, zijn handen rustend op de vensterbank die hij ooit zelf had geschuurd. Buiten waaide de wind door de kale takken van de esdoorn die hij als jonge vader had geplant. Nu was hij een oude man, en de boom een herinnering.

De verhuisdozen stonden als wachters in de gang. Kartonnen monumenten van een leven dat kleiner moest worden. Van 145 vierkante meter naar tachtig. Van een vrijstaande woning met ademruimte naar een appartement met buren aan alle kanten. De gemeente had het huis opgekocht. Bestemmingsplan. Verjonging. Robert paste niet meer in de plannen.

Terwijl hij zijn boeken inpakte — sommige vergeeld, andere nog met de geur van jonge nieuwsgierigheid — dwaalden zijn gedachten af. Het eerste afscheid: zijn ouders, toen hij het huis verliet om te trouwen. Hij had hun gezichten nog helder voor zich, de stille trots, de ingehouden tranen. Later, hun dood. Twee telefoontjes, jaren uit elkaar, maar dezelfde stilte na afloop. De komst van de kinderen, hun eerste stapjes, hun eerste ruzies, hun vertrek naar eigen levens. En nu, het afscheid van het huis. Geen drama, geen tragedie. Gewoon de loop van het leven. Maar op dagen als deze voelde het alsof elk afscheid zich opnieuw meldde. Alsof ze in de dozen zaten, tussen de fotoalbums en vergeelde brieven.

Hij liep naar de keuken, waar de zon altijd het langst bleef hangen. Daar had hij gelachen, gehuild, gezwegen. Nu was het stil.

In zijn nieuwe appartement zou hij minder spullen hebben. Minder ruimte. Maar het verleden paste toch niet in dozen. Het zat in hem. En misschien, dacht hij, is dat genoeg.

De voordeur viel zacht in het slot. Robert keek niet om. Hij wist dat het huis daar nog stond, maar het hoorde hem niet meer toe. De auto was volgeladen met dozen, maar het waren niet de spullen die zwaar wogen — het was wat erin zat. Herinneringen, stil verpakt.

Hij reed zonder haast. De stad was veranderd, maar De Lege Knip lag nog op dezelfde hoek. Een winkel die niet schreeuwde om aandacht, maar fluisterde naar wie luisteren wilde. Robert parkeerde, stapte uit, en bleef even staan. De gevel was bescheiden, de ramen vol met spullen die ooit van iemand waren geweest. Hij voelde zich op zijn plek.

Binnen rook het naar hout, papier, en iets ondefinieerbaars — misschien tijd. Trees keek op vanachter de toonbank. Ze kende hem niet, maar zag meteen dat hij niet kwam voor een koopje.

“Welkom,” zei ze. Robert knikte. “Ik ben aan het verhuizen. Of eigenlijk… aan het loslaten.”

Hij liep langs de rekken. Een oude typemachine, een schilderij van een onbekende kust, een kinderstoel met krassen van groei. Alles had geleefd. “Mijn huis is verkocht,” zei hij. “Ik ga naar een appartement. Tachtig vierkante meter. Ik moet dingen wegdoen. Maar sommige dingen… die kun je niet zomaar weggooien.”

Trees zweeg. Ze wist: dit was geen man die spullen bracht. Dit was een man die afscheid bracht.

Hij opende een doos. Een houten trein, ooit vastgehouden door kleine vingers. Een fotolijst met een vergeelde trouwfoto. Een boek met aantekeningen in de kantlijn — zijn vaders handschrift. “Mag ik dit hier laten?” vroeg hij. “Niet om te verkopen. Gewoon… om het ergens te laten zijn.”

Trees knikte. “De Lege Knip is er niet alleen voor spullen. Ook voor verhalen.”

Robert glimlachte. Voor het eerst die dag. Hij zette de doos neer, streelde even het deksel, en liep naar de leestafel. Daar ging hij zitten. Niet om te lezen. Maar om te blijven.

Robert zat aan de leestafel met een kop koffie die langzaam koud werd. Hij keek naar de streepjes zonlicht op het hout, alsof ze hem uitnodigden om te beginnen. En hij begon. Niet luid, niet dramatisch. Gewoon met een zin die ergens diep vandaan kwam.

“Ik had een fijne jeugd,” zei hij. “Mijn ouders waren van het soort dat niet veel zei, maar alles liet voelen. Mijn vader rook naar zaagsel en tabak. Mijn moeder naar appeltaart en geduld.”

Trees bleef staan, haar hand nog op een stapel boeken. Jannus schoof een stoel bij. Een jonge vrouw die net een kinderboek had gepakt, bleef hangen. Langzaam groeide het gezelschap. Acht mensen, van verschillende leeftijden, zaten uiteindelijk om hem heen. Niet als publiek, maar als getuigen.

Robert vertelde over school — hoe hij stiekem een kikker in de tas van de juf had gestopt, en hoe hij later met diezelfde juf een boek had geschreven over natuur. Over zijn opleiding, waar hij leerde tekenen, rekenen, en vooral: luisteren. Over de eerste verliefdheid, een meisje met rode laarzen en een stem als een lentebries. “Ze ging naar Canada,” zei hij. “Ik bleef achter met een cassettebandje waarop ze ‘tot ooit’ fluisterde.”

Hij lachte. De anderen lachten mee.

Toen kwam de vrouw voor het leven. “Ze werkte in een bibliotheek. Ik vroeg haar niet om een boek, maar om haar naam.” Ze trouwden. Kregen kinderen. “Twee jongens. Eén met mijn ogen, één met haar lach.” Hij werkte veertig jaar bij hetzelfde bedrijf. “Niet spannend, maar stabiel. En stabiliteit is ook een avontuur, als je het goed bekijkt.”

Hij vertelde over vakanties in een vouwwagen, over ruzies die eindigden in pannenkoeken, over verjaardagen waarop niemand kwam behalve de buren — en dat dat genoeg was.

“Alles had zijn tijd,” zei hij. “En alles liet je weer los. Niet ineens, maar beetje bij beetje. Zoals bladeren in de herfst. Je denkt dat ze vallen. Maar eigenlijk geven ze zich over.”

Er viel een stilte. Geen ongemakkelijke, maar een volle. Iemand haalde een zakdoek tevoorschijn. Iemand anders schonk koffie bij.

Robert keek rond. Acht gezichten. Acht luisteraars. “En nu,” zei hij, “laat ik mijn huis los. Mijn spullen. Maar ik merk… dat ik vooral mezelf weer tegenkom.”

Trees legde haar hand op zijn schouder. “U bent niet de enige,” zei ze zacht. “We komen hier allemaal iets brengen. En we nemen altijd iets mee.”

Robert had net zijn laatste slok koffie genomen toen Jannus zich iets naar voren boog. “Zeg Robert,” begon hij, “hoe zit dat eigenlijk met de meubels? Heb je hulp bij de verhuis?”

Robert glimlachte, maar er zat iets vermoeids in zijn ogen. “Ach Jannus… de kinderen wonen allemaal ver weg. En als ze al eens bellen, is het tussen twee afspraken door. Ik wil ze er niet mee belasten. Kent u dat?”

Jannus knikte langzaam. “Ja, dat ken ik. Je wilt ze niet lastigvallen, maar soms voelt het alsof je zelf een last wordt. Terwijl je alleen maar een doos van A naar B moet krijgen.”

Robert lachte zacht. “Precies. Er komt een verhuiswagen. Wat niet geplaatst kan worden, wacht ik eerst maar af. Misschien komt het vanzelf goed. Of vanzelf niet.”

Er viel een korte stilte. Niet ongemakkelijk, maar geladen met begrip.

Jannus tikte met zijn vinger op de tafel. “Nou, als er iets is… je weet me te vinden. Ik heb nog een paar sterke armen over. En een karretje dat meer heeft meegemaakt dan ikzelf.”

Robert keek hem aan, even stil. “Dank je, Jannus. Dat is meer waard dan je denkt.”

Trees, die net een boek terugbracht, keek op. “Dat is het mooie van deze tafel,” zei ze. “Je komt voor een boek, en je gaat weg met een aanbod dat nergens in geschreven staat.”

De anderen knikten. Iemand mompelde: “Zo hoort het.”

Robert keek naar de zon die inmiddels was verschoven. “Misschien is dat wel het mooiste aan ouder worden,” zei hij. “Je leert dat hulp geen zwakte is. En dat geven soms meer oplucht dan krijgen.”

Robert keek naar de klok boven de leestafel. De wijzers leken even stil te staan, alsof ze hem nog een paar minuten gunden. Hij stond langzaam op, zijn handen rustend op de rugleuning van zijn stoel.

“Lieve mensen,” begon hij, “ik wil jullie bedanken. Voor het luisteren, voor de lach, voor de stilte. Voor de koffie die koud werd en toch smaakte.”

Er werd zacht gelachen. Trees glimlachte. Jannus knikte.

“Als ik straks verhuis,” vervolgde Robert, “zal ik de lege knip zeker weer weten te vinden. Want sommige plekken zijn niet van steen of hout, maar van herinnering. En die leestafel hier… die is van goud.”

Iemand klapte zacht. Een ander tikte tegen zijn mok. Robert pakte zijn jas van de kapstok, draaide zich nog één keer om.

“En als jullie ooit een oude man zien dwalen tussen de boeken, op zoek naar iets wat hij niet kan benoemen… dan weet je: dat ben ik. En ik kom alleen maar even kijken of de tafel nog leeft.”

Hij liep naar de deur, op een manier die geen afscheid schreeuwde, maar een belofte fluisterde.

Trees keek hem na. “Tot ziens, Robert,” zei ze zacht. “Niet vaarwel.”


Ontdek meer van Mijn korte verhalen

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Reacties op “De Leestafel van Afscheid”

  1. meninggever Avatar

    Mooi geschreven. Veel ouderen die hun bekende en vertrouwde stekje moeten verlaten herkennen dit direct….

    Geliked door 1 persoon

  2. Jan Sierhuis Avatar

    Mooi! En in ieder geval met vlagen zeer herkenbaar gezien de verhuizing waar ik mee bezig ben 😉

    Like

Geef een reactie op Jan Sierhuis Reactie annuleren

Ontdek meer van Mijn korte verhalen

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder