
Het was een rustige woensdagmiddag in De Lege Knip. Buiten tikte de regen zachtjes tegen de ramen, binnen hing de geur van versgezette koffie en oud papier. Aan de leestafel zat een man van een jaar of zeventig. Zijn jas hing losjes om zijn schouders, een beetje te groot, glimmend van slijtage. Voor zich had hij een vergeelde ansichtkaart gelegd, gevonden in een doos die die ochtend binnengebracht was.
Hij zette zijn bril op, haalde hem weer af, poetste het glas met een zakdoek en zette hem opnieuw op. Alsof hij niet kon kiezen tussen kijken en lezen, tussen het hier en nu en het daar en toen. Zijn vingers gleden langs de rafelranden van het karton, alsof hij bang was dat het verleden hem zou ontglippen.
“Da’s ons dorp,” zei hij plots, half in zichzelf.
Trees keek op vanachter de toonbank. “Waar?”
Hij tikte met zijn vinger op de kaart. “Haren. Zo zag het eruit, eind jaren vijftig. Kijk, dáár stond de herberg De Zwaan. En hier de smederij. Allemaal weg.”
Hij haalde diep adem. “Ik was zestien toen de sloophamer kwam. Eerst dacht ik: ach, een beetje nieuwbouw kan geen kwaad. Maar toen ik die rode stempels op de deuren zag, wist ik dat er meer ging verdwijnen dan een paar muren. De Zwaan… daar heb ik mijn eerste pint gedronken. Mijn vader zat er elke zondag. En toen de kraan erin beet en de gevel zakte—” Hij maakte een gebaar, een muur die in elkaar plofte. “Toen viel er meer om dan steen alleen.”
Even was het stil in De Lege Knip. Alleen het zachte geritsel van een krant klonk, alsof ook het papier luisterde.
Daarna vervolgde hij: “En weet je wat er nog gebeurde? De middenstand verdween. Eerst de slager, toen de bakker, daarna de groenteboer. Alles wat de kern van een dorp bepaalde, hield op te bestaan. In plaats daarvan kwamen supermarkten en ketens. Handiger misschien, goedkoper ook, maar de ziel ging eruit. Een dorp zonder middenstand… da’s net een lijf zonder hartslag.”
Hij keek naar de ansichtkaart, alsof hij er doorheen wilde kruipen. “Op die kaart zie je nog de etalage van bakker Van de Ven. Daar stond ik als jongen te gapen naar worstenbroodjes die ik niet altijd kon betalen. En weet je? Zelfs het kijken was een feest. Maar dat gevoel… dat bestaat niet meer.”
Hij schoof zijn bril omhoog en keek hen aan. “Het begon eigenlijk allemaal na de oorlog. Nederland zat midden in de wederopbouw. Alles moest vooruit, sneller, moderner. Brabant veranderde razendsnel van boerenland in een industrieel hart. Philips, DAF, de textiel in Tilburg, de schoenen uit Waalwijk, het leer uit Oisterwijk… er was ineens werk, er was geld, er was groei. Dorpen werden forenzensteden, steden kregen brede wegen, winkelstraten en nieuwbouwwijken.
En met die vooruitgang kwam ook een nieuwe manier van kijken. Wat oud was, dat hoorde bij armoede. Nieuw was beter. Een boerderij midden in een dorp? Weg ermee. Een fabriekspand van honderd jaar oud? Achterhaald. Daar moest een parkeergarage of flat voor komen.
Ik heb het zelf gezien: in Eindhoven verdwenen hele stukken van de binnenstad. De Demer, de Rechtestraat, het Stationsplein. In Tilburg gooiden ze de Heuvel overhoop. In Breda sloopten ze complete wijken voor autowegen. En in de dorpen? Daar gingen de mooiste boerderijen, hallenhuizen en herbergen verloren. Stuk voor stuk plekken die ons verhaal droegen.”
Hij zweeg even en tikte zacht met zijn vinger op de vergeelde kaart.
“De gedachte was: verleden stond voor armoede, de toekomst voor welvaart. En als je protesteerde, dan was je ouderwets. Een dromer. Een romanticus.”
Trees streek met haar hand over de ansichtkaart. “En nu,” zei ze zacht, “wordt dat verleden weer gezocht, omdat mensen voelen dat er iets mist.”
De man glimlachte weemoedig. “Ja. En daarom is een plek als dit zo belangrijk. De Lege Knip… dit is eigenlijk ook een soort Zwaan. Niet om te drinken of te dansen, maar om te herinneren.”
Geef een reactie op Suskeblogt Reactie annuleren