
Het was een gewone donderdagavond in De Lege Knip, maar de stoelen stonden dit keer in een kring. De koffie stond klaar, en op de tafel lag een stapel kranten met grote koppen over gemeentelijke herindelingen.
Trees had het initiatief genomen: “We moeten het er eens over hebben, want dit gaat ons allemaal raken,” zei ze terwijl ze haar leesbril op haar neus schoof.
Aan de ene kant van de kring klonk een voorzichtige stem:
“Een grotere gemeente betekent misschien meer geld en betere voorzieningen. Misschien komt er eindelijk een fatsoenlijke buslijn door ons dorp.”
Maar bijna direct kwam er tegengeluid van Jannus, die zijn armen over elkaar sloeg:
“Meer geld, ja, maar het gaat óók allemaal verder bij ons vandaan. De wethouders zitten straks twintig kilometer verderop, en wie van ons gaat daar nou elke keer naartoe om zijn zegje te doen?”
Een oudere man met pet knikte heftig. “Vroeger liep ik gewoon even binnen bij het gemeentehuis, kende ik de ambtenaar bij de voornaam. Straks ben ik een nummertje in een wachtrij.”
De discussie zwol aan: voorstanders wezen op schaalvoordelen, grotere slagkracht, misschien zelfs betere zorgvoorzieningen. Tegenstanders wezen op het verdwijnen van nabijheid, herkenbaarheid, en het gevaar dat de politiek nog meer een ver-van-mijn-bedshow zou worden.
Trees probeerde te bemiddelen:
“Misschien is de vraag niet alleen of samenvoegen goed of slecht is, maar hóe we ervoor zorgen dat onze stem niet verloren gaat. Hoe blijven gewone mensen gehoord, als de politiek verder weggaat?”
Er viel even een stilte, waarna iemand zacht zei:
“Misschien moet de Lege Knip voortaan niet alleen een kringloop zijn, maar ook een plek waar de politiek ons kan komen opzoeken. Dan houden we de afstand klein.”
Er klonk instemmend gemompel en wat voorzichtig applaus. Het idee gaf lucht, alsof er een brug gelegd werd tussen dorp en bestuur.
En terwijl de koffie weer rondging, grapte iemand: “Nou, als ze hier in de kringloop komen vergaderen, kunnen ze tenminste ook meteen een tweedehands bureaustoel uitzoeken.”
De lach maakte de discussie wat lichter, maar de zorgen bleven. Want één ding was duidelijk: nabijheid kon je niet zomaar uitruilen voor efficiëntie.
Maar nog voordat de vrolijke noot helemaal was uitgestorven, schoof een oudere vrouw haar stoel wat naar voren. Ze sprak bedachtzaam, bijna aarzelend:
“Het is lachen, zo’n bureaustoel voor de wethouder, maar we moeten ook eerlijk zijn: dit hier in de kringloop is natuurlijk geen echte oplossing. Als we niet oppassen, blijven we maar mopperen zonder dat er iets verandert.”
Ze legde haar hand op de tafel en vervolgde:
“Wat wél zou kunnen, is werken met sub-gemeenten binnen die grote gemeente. Dan kies je bij verkiezingen niet voor iemand die je nooit ziet, maar voor iemand uit je eigen kern, die wél weet wat hier speelt. Dan hou je de afstand klein, zonder dat je tegen de herindeling hoeft te zijn.”
Er ging een gemurmel door de kring. Een man met een krant in de hand knikte langzaam.
“Dat klinkt al een stuk beter. Dan zijn we niet zomaar een wijk van een reusachtige gemeente, maar houden we eigen mensen, eigen herkenbaarheid.”
Trees glimlachte: “Dus eigenlijk geen nostalgie naar het oude, maar een nieuwe manier van dichtbij organiseren. Dat lijkt me een stuk vruchtbaarder dan alleen mopperen.”
De kring viel even stil. Het idee had gewicht. Het was niet zomaar een grap of een klacht, maar een gedachte waar de mensen nog wel even op konden kauwen, terwijl de koffie warm werd bijgeschonken.
Toen de discussie over sub-gemeenten wat bezonken was, leunde Jannus achterover en tikte met zijn lepel tegen het koffiekopje.
“Weet je wat het is? We kunnen hier nog uren praten, maar als we er niks mee doen, dan blijft het bij ouwehoeren aan tafel.”
Daarop stak Truus van de breiclub haar vinger op:
“Dan moeten we er een beleidsstuk van maken. Iets op papier, met onze zorgen én dat idee van sub-gemeenten. Niet te dik, gewoon helder. Dan hebben we tenminste iets om aan het college van B&W te geven.”
Er werd even gegniffeld, maar Trees knikte meteen.
“Waarom niet? Kijk, nu is het in onze gemeente misschien nog niet aan de orde, maar je ziet overal dat er steeds meer wordt samengevoegd. Voor je het weet, zitten we in een enorme fusiegemeente en is de politiek nog verder weg. Als wij nu alvast een voorstel hebben, lopen we voor de muziek uit.”
De kring werd stiller. Het idee kreeg gewicht.
“Vooruitdenken, bedoel je,” zei een man met een bril die tot dan toe alleen had geluisterd. “Zodat wij niet straks wéér overvallen worden door beslissingen van bovenaf.”
Hij kreeg instemmend geknik. Iemand riep dat er moest worden genoteerd wat er in moest: de afstand tot de politiek, de angst voor anonieme bestuurders, het belang van herkenbare gezichten in de wijk. Op de achterkant van een oude agenda uit een doos van de kringloop begonnen de eerste aantekeningen te verschijnen.
“En,” voegde Trinus toe, “als we dat beleidsstuk eenmaal hebben, kunnen we het niet alleen bij B&W neerleggen, maar ook bij de gemeenteraad. Dan moeten ze er tenminste iets mee.”
De kringloopwinkel, normaal een plek van spullen en verhalen, voelde die avond even als een gemeentelijke raadszaal in het klein. Er werd gelachen, gediscussieerd en gedacht, maar vooral: er werd gewerkt aan een plan.
Een plan dat misschien wel het verschil kon maken, nog voordat de grote samenvoegingen écht zouden komen.
Plaats een reactie