
Het was een regenachtige donderdagmiddag in De Lege Knip. De regen tikte gestaag tegen de hoge ramen van het afgekeurde schoolgebouw en zette strepen van water langs het verweerde glas. Binnen hing de geur van oude boeken en verse filterkoffie. Aan de leestafel zaten een paar vaste bezoekers: Trees met haar onafscheidelijke leesbril, Jannus die zijn mok stevig vasthield alsof hij zich eraan wilde verwarmen, Kees – een oud-ambtenaar die nooit helemaal met pensioen leek te zijn – en een jonge student politicologie die voor een onderzoeksproject kwam.
Op tafel lag een vergeelde ansichtkaart die die ochtend uit een donatie was opgedoken. Een straatbeeld van Breda, begin jaren zestig, nog vol kleine winkels en smalle stegen. Trees streek met haar vingers over de kartonnen rand.
“Verdwenen,” zei ze zacht. “Alles weg, vervangen door beton en brede wegen. Toen werd ons verteld dat dit vooruitgang was.”
De student knikte. “Het is eigenlijk hetzelfde als in Den Haag. Daar wordt ons verteld dat we kiezen en meebeslissen, maar in de praktijk ligt er vaak al een koers.”
Jannus keek op. “Hoe bedoel je?”
De student haalde een printje uit zijn tas. “Neem de Toeslagenaffaire. Jarenlang werden duizenden ouders kapotgemaakt door een systeem dat té streng en té wantrouwend was ingericht. De Belastingdienst hield halsstarrig vast aan regels en protocollen. Ministers kwamen en gingen, maar de lijn bleef hetzelfde. Het laat zien dat ambtenaren soms meer macht hebben dan de mensen die er formeel de baas zijn.”
Trees schoof haar bril iets hoger. “Dus eigenlijk stemmen we op ministers, maar in werkelijkheid wordt het beleid bepaald door ambtenaren die we niet kennen, die we niet gekozen hebben?”
Kees, die tot dan toe zwijgend zijn koffie had geroerd, legde de lepel neer en keek haar strak aan.
“Zo simpel is het niet, Trees. Vergeet niet: wij kiezen de Tweede Kamer. Die Kamer stelt wetten vast, en daaruit komt een coalitie die ministers levert. De politieke lijnen worden écht in de Kamer uitgezet. Maar…” – hij boog iets naar voren – “in de uitvoering, in de vertaalslag van die wetten, daar hebben ambtenaren enorme invloed. Zij blijven zitten, ook als de minister valt. Zij kennen de dossiers, zij sturen de stukken, zij bepalen wát er wel en niet op een bureau belandt. En geloof me: dat geeft macht.”
“Dus de souffleurs schrijven mee aan het toneelstuk,” mompelde Trees.
Jannus sloeg met zijn vlakke hand op tafel. “En als het fout gaat, valt de minister. Maar die ambtelijke machine draait rustig door, alsof er niks is gebeurd. Kijk maar naar al die gezinnen in de toeslagenellende. Zij zijn hun huis kwijt, hun leven kwijt, en de ambtenaren die de formulieren maakten? Die zitten er nog steeds.”
Even was het stil. Alleen het zachte geritsel van een krant uit de hoek klonk.
Toen kuchte een oudere man, een vaste bezoeker die vroeger gemeenteraadslid was geweest. “Weet je, het is niet alleen in Den Haag zo. In mijn dorp hadden we een plein met lindebomen en een oude herberg. Het hart van het dorp. Wij wilden dat behouden. Maar op het gemeentehuis hadden de ambtenaren al een bestemmingsplan klaar: parkeerplaatsen, een supermarkt, en een weg erdoor. We mochten zogenaamd inspreken, maar dat ging over de kleur van de stoeptegels. Het besluit stond allang vast. En de raad, ach, die kreeg een dik rapport vol jargon en knikte braaf.”
“Dus zelfs dáár,” zei Trees zacht, “werd de macht achter de schermen groter dan die van de mensen die we zelf kozen.”
Kees knikte langzaam. “Het is de spanning van elke democratie. Politici willen richting geven, maar zonder ambtenaren kunnen ze niets. En tegelijk kan diezelfde ambtenarij de koers bepalen, subtiel, in rapporten en adviezen. Een minister kan roepen dat hij een bocht maakt, maar als de ambtenaren het stuur strak rechthouden…” – hij maakte een kort gebaar met zijn handen – “dan verandert er bar weinig.”
De student keek de kring rond, zijn ogen vol nieuwsgierigheid. “Dus de vraag is eigenlijk: hoe zorgen we dat de macht van ambtenaren én politici in balans blijft? Zodat burgers zich niet buitenspel voelen?”
Trees keek nog eens naar de ansichtkaart, het verdwenen Breda van vroeger.
“Misschien,” zei ze zacht, “moeten we leren om beter te kijken. Naar wie de lijnen trekt, maar ook naar wie de lijnen tekent. Want wie niet ziet wie er echt tekent… die gelooft altijd in het plaatje dat hem wordt voorgehouden.”
De regen tikte nog steeds tegen de ramen. Buiten leek de wereld in grijstinten te vergaan, maar binnen in De Lege Knip hing een geladen stilte. Alsof ieder zich afvroeg: wie stuurt er eigenlijk écht, in dit land?
Geef een reactie op 1001xannemiek Reactie annuleren