
De middag liep tegen sluitingstijd, maar in de koffieruimte bleef de krant op tafel liggen. Het bericht over de vermoorde jonge vrouw liet niemand onberoerd.
“Vier uur ’s morgens,” zei mevrouw Van Aalst bedachtzaam, terwijl ze het lepeltje in haar koffie ronddraaide. “Is dat nog een normale tijd om naar huis te fietsen? Als je van je werk komt, zou zo’n tijd misschien verboden moeten zijn. Maar als je van een feestje komt…” Ze haalde haar schouders op. “Dan weten we het niet. Het voelt zo dubbel.”
Marieke reageerde meteen. “Maar dat is toch niet de kern, mevrouw Van Aalst. Het maakt niet uit of iemand van zijn werk komt, van een feestje of van een nachtelijke wandeling. Niemand zou zich moeten afvragen of hij of zij wel veilig thuiskomt. Het gaat niet om de tijd, het gaat om de dader.”
Trees knikte. “We mogen onszelf niet wijsmaken dat er een ‘goede reden’ moet zijn om ’s nachts onderweg te zijn. Vrijheid is ook dat je om vier uur ’s ochtends mag fietsen, zonder bang te zijn.”
Zuster Justina legde haar handen in haar schoot. “En daar zit ’m de pijn,” zei ze zacht. “Dat we überhaupt de vraag stellen: wat deed ze daar? Alsof de schuld bij haar ligt. Terwijl de echte vraag is: waarom respecteren sommige mensen de vrijheid van een ander niet? Zonder dat respect verandert er niets.”
Jannus legde zijn bril neer en keek de kring rond. “Daar zit het hem in. Vrijheid is prachtig, maar als er mensen zijn die maling hebben aan de vrijheid van een ander, wie beschermt ons dan? Politie? Gemeente? Of ligt de verantwoordelijkheid ook bij ons als samenleving, om niet weg te kijken?”
“Het gaat verder dan politie alleen,” vond Trees. “Handhaving is nodig, ja. Maar ook opvoeding. Jongens leren wat grenzen zijn, meisjes leren dat ze zich niet hoeven te schamen. En ouderen de zekerheid geven dat ze niet opgesloten hoeven te zitten in hun huis zodra het donker wordt.”
“Dus,” besloot Marieke, terwijl ze met haar vingers langs de koffiemok gleed, “de oplossing ligt niet in één maatregel. Het is een combinatie: streng optreden tegen wie respectloos is, én tegelijk een cultuur bouwen waar respect vanzelfsprekend is. Waar je ’s nachts kunt fietsen, of op je tachtigste naar een avondconcert kunt gaan, zonder bang te hoeven zijn.”
Er viel een stilte, zwaar en veelzeggend. Buiten fietste iemand voorbij, het geluid van banden over nat asfalt. Het klonk bijna als een echo van de mars in Utrecht.
“Je hoort het steeds vaker,” zei mevrouw Van Aalst, terwijl zij haar handen over elkaar legde. “Camera’s. Misschien moeten we de stad maar volhangen, dan kunnen ze de daders tenminste terugvinden.”
Marieke fronste. “Ja, maar wat schiet je daar mee op? Om de tien meter een camera? Onmogelijk, en bovendien: je kunt niet elke hoek van de straat in de gaten houden. En áls er een camera hangt, ben je meestal al slachtoffer vóór er iemand ingrijpt.”
“Precies,” vulde Trees aan. “Camera’s kunnen hooguit achteraf iets bewijzen. Ze lossen de angst niet op. Als ik ’s nachts door een stille straat fiets, helpt het me niet dat ergens een rood lampje brandt.”
Zuster Justina knikte langzaam. “En zolang eerbied en respect niet de basis vormen, zal het nooit veranderen. Je kunt duizend camera’s ophangen, maar als de mentaliteit is dat je het lichaam of de vrijheid van een ander mag schenden, dan vind je altijd een plek buiten het zicht.”
“Dus,” zei Jannus, terwijl hij achterover leunde, “het is verleidelijk om te roepen: meer controle, meer toezicht. Maar uiteindelijk is de echte oplossing dat we elkaar weer als mens zien. Respect voor de ander, en respect voor wat van een ander is. Zolang dát ontbreekt, blijft elk systeem gaten vertonen.”
Er werd geknikt, en even was het stil. Buiten floot een vogel, alsof hij het laatste woord wilde hebben.
Toen vroeg Grada zacht maar duidelijk: “Maar zeg nou zelf… is het niet wenselijk dat wij óók de straat op gaan? Dat we laten zien dat dit niet alleen vrouwen, maar ook ouderen aangaat? Want iedereen moet, op welk tijdstip dan ook, de straat op kunnen. Zonder angst. Zonder schaamte. Gewoon omdat het onze vrijheid is.”
Plaats een reactie