
Het is donderdagavond in De Lege Knip. Buiten is de lucht al donkerblauw gekleurd, de straatlantaarns werpen hun zachte gloed op de stoep, en binnen heerst een warme gemoedelijkheid. De stoelen zijn in een kring gezet, alsof iedereen elkaar recht in de ogen moet kunnen kijken. Op de leestafel staan dampende kannen koffie en thee, met een schaal koekjes die al bijna leeg is voordat de avond goed en wel begonnen is.
Aan de muur hangt een groot vel papier, met dikke zwarte letters erop geschreven: “Het geluid van gemis.” Het intrigeert meteen. Een enkeling fronst, anderen fluisteren erover: “Wat zou dat betekenen? Geluid dat je mist? Of geluid dat je verliest?”
Jannus schuifelt door de ruimte en zet nog wat stoelen recht, terwijl Trees zachtjes de kopjes herschikt. Er hangt een sfeer van verwachting, alsof iedereen voelt dat dit niet zomaar een luchtig onderwerp is. Het is geen quizavond of muziekoptreden, maar iets dat dieper gaat — iets dat raakt aan wat je misschien liever niet hardop zegt: dat er geluiden zijn die verdwijnen, dat er momenten zijn die je mist, en dat je daar soms stil van wordt.
Wanneer iedereen zijn plaats gevonden heeft, daalt er een korte stilte over de kring. Precies het juiste moment om te beginnen.
Jannus opent de avond:
“Vanavond gaat het niet over muziek, maar over stilte. Over wat we horen — en soms niet meer horen. Trees heeft Bart gevraagd om dit thema in te leiden. Luister goed… en misschien nog beter naar jezelf.”
De Bart schuift naar voren, neemt even de tijd, kijkt de kring rond en begint:
Bart:
“Ik weet nog goed hoe het begon. Niet met stilte, maar met ruis. Een windvlaag tijdens het fietsen, alsof ik door een storm reed — terwijl het gewoon lente was. Mijn gehoorapparaat versterkte alles, behalve wat ik wilde horen. Gesprekken vervaagden, maar het geritsel van een snoeppapiertje klonk als een explosie.”
Een korte stilte valt in de kring. Mensen luisteren gespannen.
Bart:
“Ik heb drie verschillende apparaten geprobeerd. De eerste liet me vogels horen alsof ze door een megafoon zongen. De tweede maakte vergaderingen tot een auditieve chaos. De derde? Die was beter. Maar zelfs toen bleef het een compromis. Ik hoorde weer, ja — maar nooit zoals vroeger.”
De groep knikt mee, een enkeling schuift ongemakkelijk op zijn stoel.
Bart:
“En dan die momenten in gezelschap. Je zit in een kring, mensen lachen, praten, reageren. Jij glimlacht, knikt, maar mist de clou. Je voelt je buitenstaander in je eigen leven. Niet omdat je niets hoort, maar omdat je niet mee kunt doen.”
Bjorn reageert zacht:
“Dat herken ik… mijn vader had dat ook. Hij lachte altijd net iets te laat.”
Bart:
“Gehoorverlies is niet alleen een medisch probleem. Het is sociaal. Emotioneel. Het is het moment waarop je je partner vraagt harder te praten — en zij zegt: ‘Ik praat al normaal.’ Het is de tv op stand 40. Het is de notulen lezen en denken: ‘Heb ik dat gemist?’”
Bea zucht. “Ja… en dan krijg je nog de opmerkingen van de buren: ‘Zet dat ding eens zachter.’ Terwijl je gewoon wilt meekomen.”
Bart zegt zacht:
“En toch… het dragen van een gehoorapparaat voelt soms als toegeven. Alsof je een stempel krijgt: ‘oud’, ‘gebrekkig’, ‘anders’. Maar weet je wat? Het is geen zwakte. Het is een poging om weer deel te nemen. Om weer te horen. Om weer te leven.”
De kring is muisstil. Alleen het tikken van een lepel tegen een koffiekopje klinkt.
Bart nu krachtig:
“Dus laten we het bespreekbaar maken. Niet fluisterend, maar luid en duidelijk. Want wie niet hoort, moet niet vergeten worden.”
Er ontstaat een kort gesprek over hulpmiddelen.
“Zijn gehoorapparaten voor jullie vooral een opluchting, of toch ook een lastig stempel?” vraagt Jannus.
Willy, die normaal weinig zegt, schuift naar voren: “Mijn vrouw draagt er eentje. Ze zei eerst: ‘Dan lijk ik oud.’ Maar toen ze hem eenmaal had, zei ze: ‘Nu lijk ik pas weer mezelf, want ik hoor je weer.’”
De kring glimlacht. Het gesprek wordt zachter, maar tegelijk dieper.
Na een tijdje gooit Bjorn er een bredere vraag in:
“Wordt gehoorverlies eigenlijk niet te vaak alleen maar gezien als iets van ouderen? Terwijl het ook bij jongeren voorkomt?”
Bea knikt: “Klopt. Mijn kleindochter van zestien heeft al oordopjes nodig op festivals. Het is breder dan we denken.”
Dan komt er een creatief idee.
“Stel,” zegt Trees, “dat we hier in De Lege Knip een kleine expositie zouden maken: Het geluid van gemis. Wat zouden jullie erin laten zien?”
“Foto’s van mensen die luisteren,” zegt Marleen.
“Of juist lege stoelen,” oppert Peter. “Die laten zien dat iemand er wel is, maar niet kan meedoen.”
“En misschien geluidsfragmenten,” voegt Willy toe. “Zo’n piep in je oor, of ruis… zodat anderen het kunnen ervaren.”
Het gesprek gaat nog een tijdje door, tot Jannus merkt dat de avond afronding vraagt.
“Dank jullie allemaal,” zegt hij. “Wat ik vanavond hoorde, is dat gemis niet alleen in je oor zit, maar ook in je hart. Maar door erover te praten, vullen we de stilte samen weer op.”
Dan stelt hij voor dat iedereen één geluid noemt dat hij of zij nooit zou willen missen.
“Het lachen van mijn kleinkinderen,” zegt Bea.
“De wind door de bomen,” fluistert Trees.
“Het gerinkel van kopjes hier in De Lege Knip,” besluit Bjorn met een glimlach.
Na afloop blijft het even stil. Dan barst er een warm gesprek los. Iedereen wil reageren: sommigen delen ervaringen met ouders of partners, anderen vertellen over hun eigen twijfel om een gehoorapparaat te dragen. Er klinkt herkenning, maar ook opluchting dat het uitgesproken mag worden.
En terwijl de avond vordert, ontstaat er iets nieuws: een gedeeld bewustzijn dat gehoorverlies niet alleen een kwestie van oren is, maar ook van hart en verbinding.
Geef een reactie op Rob Alberts Reactie annuleren