
De dinsdagavond valt vroeg in het oude schoolgebouw van De Lege Knip. Buiten druppelt de regen zachtjes langs de verweerde ramen, maar binnen is het warm en levendig. De geur van versgezette koffie vermengt zich met die van koekjes die nog net knapperig genoeg zijn om te kraken. De stoelen staan in een wijde kring om de leestafel heen, alsof ze al jaren weten dat gesprekken hier beter gedijen wanneer iedereen elkaar kan zien.
Op het schoolbord — dat nog steeds krijtvegen van vroegere lessen verraadt — staan in sierlijke, haast plechtige letters de woorden: “Wie schrijft, die blijft.” Het krijt is iets uitgelopen, alsof de woorden zelf al een klein beetje geschiedenis dragen.
De aanwezigen schuiven ongeduldig met hun stoelen, kopjes worden ingeschonken, lepeltjes rinkelen. Er hangt een verwachtingsvolle spanning, want dit is geen doorsnee avond over boeken of tweedehands vondsten. Het gaat om iets groters: om woorden die standhouden, om verhalen die mensen laten voortleven, om de vraag wat er blijft van wie we zijn als wij er zelf niet meer zijn.
Bjorn, die nooit kan laten om als eerste een kwinkslag te maken, tuurt naar het bord en grinnikt breed:
“Nou, als dat waar is, moet ik snel een boekje volkrabbelen voordat ik vergeten word.”
De kring barst in lachen uit. Het ijs is gebroken, en de discussie kan beginnen.
Trees haalt haar wenkbrauwen op: “Dat gezegde is een oudje hoor, Bjorn. Het werd vroeger al gezegd in de betekenis: wie iets opschrijft, zorgt dat het bewaard blijft. Niet alleen je eigen naam, maar ook je daden. Denk maar aan notulen, akten of oude kronieken.”
“Dus eigenlijk een soort administratie,” bromt Jannus. “Niet echt poëtisch, vind je wel?”
“Jawel,” reageert Marleen vlot. “Kijk maar naar de Bijbel, of oude dagboeken. Zonder schrijvers hadden we de helft van ons verleden niet gekend. En eerlijk, sommige mensen blijven juist door wat ze geschreven hebben. Van Gogh kennen we ook door zijn brieven, niet alleen door zijn schilderijen.”
Bjorn, met een ondeugende glimlach: “Ja, maar dan moet je wel iets zinnigs opschrijven. Mijn boodschappenlijstje gaat echt niemand bewaren.”
“Nou,” zegt Bea droog, “als jij ooit beroemd wordt, staat dat boodschappenlijstje misschien in een museum.”
De hele kring schiet in de lach.
Peter neemt een slok koffie en zegt:
“Het gezegde komt van ver, hè. Schrijven was vroeger dé manier om herinnerd te worden. Geen internet, geen selfies, geen cloudopslag. Als je iets wilde nalaten, deed je dat met pen en papier. Zelfs een kort briefje kon eeuwen later nog iemand raken.”
“Precies!” vult Bea aan. “En dat geldt nog steeds. Een kort verhaal kan net zo goed een erfenis zijn als een roman. Soms zegt één pagina meer dan duizend.”
Marleen knikt bedachtzaam:
“Dat doet me denken aan schrijvers als Carmiggelt, of Toon Tellegen. Hun korte verhalen zijn misschien klein van stuk, maar ze blijven hangen. Je leest er één, en jaren later denk je er nog aan terug.”
Willy schuift zijn fotomap opzij en mengt zich:
“Ja, dat is eigenlijk net als bij fotografie. Eén enkel beeld kan je hele leven bijblijven. Schrijvers van korte verhalen maken eigenlijk foto’s met woorden.”
Bjorn, die niet kan laten om er een grap van te maken:
“Dus wat jullie zeggen is dat ik niet per se een dik boek hoef te schrijven. Eén kort verhaal over mijn mislukte campingvakantie in Frankrijk, en ik blijf voor altijd?”
Trees reageert droog:
“Bjorn, als jij dat schrijft, blijf je inderdaad. Maar vooral als waarschuwing.”
De kring barst weer in lachen uit, maar de ondertoon is serieus: woorden, zelfs de kleinste, kunnen blijven hangen — soms langer dan wijzelf.
Dan neemt Trees de draad weer op. “Het gaat ook over sporen nalaten. Als je schrijft, laat je iets achter. Een brief, een gedicht, een verhaal. Zelfs een appje kan later betekenis krijgen. Denk maar aan de laatste woorden van iemand.”
De groep wordt even stil.
Willy, die vaak bedachtzaam spreekt, zegt zacht: “Ik bewaar nog altijd de briefjes die mijn moeder vroeger in mijn broodtrommel stopte. Kleine zinnetjes, maar ze blijven.”
Iedereen knikt; de stilte wordt warm.
Jannus herneemt luchtiger: “Dus eigenlijk: schrijven is net als zaaien. Sommige dingen verwaaien, andere groeien door.”
“En sommige moeten meteen op de composthoop,” voegt Bjorn toe, en de kring barst weer in lachen uit.
Als moderator legt Trees dan wat vragen op tafel:
- Wat betekent schrijven voor jullie persoonlijk?
- Welke geschreven woorden hebben jou door de jaren heen echt geraakt of vastgehouden?
- Moeten we meer schrijven om te blijven, of is juist spreken en herinnerd worden door anderen belangrijker?
- En wat doen we hier in De Lege Knip om woorden een plek te geven?
Het gesprek stroomt. Sommigen vertellen over oude dagboeken, anderen over brieven die nooit verstuurd zijn. Bea haalt een vergeeld schriftje tevoorschijn waarin ze sinds jaren haar gedachten noteert. Bjorn biecht op dat hij ooit een liefdesbrief schreef die compleet verkeerd werd begrepen, wat weer voor bulderend gelach zorgt.
Aan het eind vat Trees samen:
“‘Wie schrijft, die blijft’ is niet alleen een oud gezegde, het is ook een uitnodiging. Om niet stil te zijn, maar om woorden achter te laten. Hier in De Lege Knip merken we telkens weer: het gaat niet om grootse literatuur, maar om het delen van onszelf. In een brief, een verhaal, of een klein kladblaadje dat toch bewaard blijft.”
Met een laatste slok koffie besluit Jannus:
“Dan moeten we maar zorgen dat hier een ideeënbus blijft staan. Wie schrijft, die blijft — in De Lege Knip.”
Geef een reactie op Suskeblogt Reactie annuleren