
Het was een van die middagen waarop de tijd in De Lege Knip bijna leek stil te staan. De regen streek met lange strepen langs de hoge ramen van het oude schoolgebouw, en binnen hing een mengeling van geuren die je nergens anders vond: een vleugje boenwas van de pas gedweilde vloer, de muffige warmte van tweedehands boeken, en ergens uit de geïmproviseerde keuken het kruidige aroma van Adriaans soep die zacht stond te pruttelen.
Aan de leestafel zaten een paar vaste bezoekers verdiept in een krant of tijdschrift, terwijl Roy op de achtergrond bezig was stapels cd’s opnieuw te ordenen. Het geroezemoes was zacht, alsof iedereen de regen wilde laten spreken.
Jannus had net zijn leesbril op de neus gezet en bladerde door een bijlage van een internationaal tijdschrift. Zijn oog bleef haken aan een artikel dat hem onmiddellijk raakte. Met bedachtzame traagheid vouwde hij de pagina om en schoof het blad naar Trees toe.
“Lees dit eens,” zei hij zacht. “Het gaat over hoe geuren je terugbrengen naar je jeugd, naar herinneringen die je niet meer verwachtte. Het deed me denken aan die keer dat jij vertelde over het parfum van je moeder.”
Trees schoof haar stoel iets dichterbij, haar vingers rustten even op de rand van het vergeelde papier. Terwijl ze begon te lezen, trok er een glimlach over haar gezicht, alsof de woorden haar al meenamen naar een wereld die half vergeten was.
Trees las langzaam, alsof ze elk woord wilde proeven. De zinnen gingen over een man die, jaren na het overlijden van zijn vader, plotseling werd overvallen door een herinnering — niet door een foto of een stem, maar door een geur. Een deodorant, toevallig weer gevonden in een drogist. En hoe die geur hem terugbracht naar een winterochtend, een sneeuwjack, een hand op zijn schouder.
Ze legde het blad neer, haar blik nog even op de laatste alinea. “Het is waar,” zei ze zacht. “Soms is het niet een beeld dat je terughaalt, maar een geur. Mijn moeder droeg altijd een parfum met jasmijn. Als ik het nu ruik, ergens in een winkel of bij iemand op straat, dan ben ik weer acht. Dan staat ze in de gang, haar sjaal om, klaar om naar de kerk te gaan.”
Jannus knikte. “Bij mij is het de geur van natte wol. Mijn vader had zo’n jas, zo’n zware, die altijd rook naar regen en tabak. Als ik die geur tegenkom, ergens op een station of in een oude kast, dan is hij er weer. Niet als herinnering, maar als aanwezigheid.”
Roy, die tot dan toe stil cd’s had gesorteerd, draaide zich om. “Bij mij is het soep,” zei hij. “Tomatensoep met kruidnagel. Mijn oma maakte die altijd op zondag. Als ik het ruik, dan hoor ik haar stem weer. Dan ben ik weer in haar keuken, met dat rare plastic tafelkleed en de klok die altijd achterliep.”
Er viel een stilte. Geen ongemakkelijke, maar een die ruimte gaf aan wat net was gezegd.
Trees keek op. “Wat ik me afvraag,” zei ze, “is of we die herinneringen moeten bewaren zoals ze zijn, of dat we ze mogen mengen met nieuwe. Zoals die man in het artikel — moet hij dat luchtje blijven gebruiken, of juist bewaren voor speciale momenten?”
Jannus dacht even na. “Misschien is het niet óf-óf. Misschien is het juist mooi als herinneringen zich mengen met het heden. Dan leeft het verder.”
Roy kwam erbij zitten, een kop thee in zijn hand. “Ik heb dat met gemaaid gras,” zei hij. “Als ik dat ruik, ben ik weer acht. Dan sta ik met mijn vader op het voetbalveld, net na de training. Hij gaf me dan altijd een dropje. Eén. Nooit twee.”
Trees glimlachte. “Bij mij is het soep. Tomatensoep met kruidnagel. Mijn oma maakte die altijd op zondag. Als ik die geur ruik, dan hoor ik haar stem weer. Dan ben ik weer in haar keuken, met dat rare plastic tafelkleed en de klok die altijd achterliep.”
Jannus keek op. “Dat is precies wat Rachel Herz ontdekte. Ze liet mensen geuren ruiken — kampvuur, popcorn, gras — en hun hart ging sneller kloppen. Niet van angst, maar van herinnering. De amygdala werd actief. Dat is het emotiecentrum van het brein.”
Roy leunde achterover. “Dus eigenlijk is geur een soort tijdmachine. Maar dan zonder knoppen.”
Trees knikte. “En misschien ook een vorm van therapie. Van Campen zag hoe ouderen opleefden bij muziek en geur. Mensen met depressie kwamen weer een beetje boven water. Gewoon door iets te ruiken dat ze kenden.”
Jannus keek naar de oude kast in de hoek, waar nog een flesje lavendelolie stond. “Misschien moeten we hier in De Lege Knip een geurtafel maken. Met potjes, flesjes, kruiden. Dingen die mensen kunnen ruiken. En dan kijken wat er bovenkomt.”
Roy grijnsde. “En dan een schrift erbij. Voor wie iets wil opschrijven. Of tekenen. Of gewoon even stil wil zijn.”
Trees keek hen aan. “Dat zou ik mooi vinden. Want soms is herinneren niet iets wat je doet met je hoofd. Maar met je neus.”
Roy had het artikel inmiddels ook gelezen en legde het blad voorzichtig neer, alsof het een oud dagboek was. “Zand uit je vakantie,” herhaalde hij. “Dat is zo’n simpele gedachte, maar eigenlijk geniaal. We nemen foto’s, filmpjes, bonnetjes… maar nooit de geur.”
Jannus knikte. “En toch is dat het eerste wat je mist. De geur van dennennaalden in de ochtend, of die warme, stoffige lucht als je uit een bus stapt in Zuid-Frankrijk.”
Trees keek op van haar kopje thee. “Ik heb nog een potje lavendel uit de tuin van mijn oma. Niet veel meer dan wat droge takjes, maar als ik het openmaak, ben ik weer daar. Op dat bankje onder de druivenstruik. Met haar stem ergens in de verte.”
Roy glimlachte. “Van Campen zegt dat geur je niet alleen laat denken aan je jeugd, maar dat je het ook lichamelijk ervaart. Alsof je lijf het herkent voordat je hoofd het begrijpt.”
Jannus leunde achterover. “Dat is het wonderlijke. Je staat met één been in het verleden en met het andere in het heden. En dat voelt niet verwarrend, maar juist troostend.”
Trees keek naar de kast waar oude boeken en kruidenpotjes stonden. “Misschien moeten we hier een geurarchief beginnen. Iedereen mag iets meebrengen: een stukje zeep, een takje rozemarijn, een lapje stof. En dan schrijven we erbij wat het oproept.”
Roy knikte. “Een zintuiglijke bibliotheek. Geen woorden, maar herinneringen in geur.”
Jannus keek naar buiten, waar de regen nog steeds zacht tegen de ramen tikte. “En dan, als je het nodig hebt — op een dag dat je het even niet weet — open je een potje. En je bent weer even thuis.”
De geur van Adriaans soep hing nog steeds in de ruimte, vermengd met het zachte aroma van boenwas en oude boeken. Maar nu klonk er ook muziek — Roy had een afspeellijst aangezet met liedjes uit de jaren vijftig. Que Sera, Sera vulde de kamer, en Trees neuriede zacht mee terwijl ze haar kopje thee vasthield.
Jannus keek op van zijn krant. “Het is wonderlijk,” zei hij. “Eerst hadden we het over geur als tijdmachine. Maar muziek doet hetzelfde. Misschien nog wel krachtiger.”
Roy knikte. “Dat zegt Frans Hoogeveen ook. Muziek uit je puberteit zit diep in je brein. Omdat je toen alles voor het eerst voelde. Je eerste verliefdheid, je eerste dans, je eerste afscheid.”
Trees glimlachte. “En die muziek blijft terugkomen. Je hoort het op de radio, in films, op feestjes. Het wordt een soort echo van je jongste zelf.”
Jannus wees naar het artikel dat nog openlag op de leestafel. “Radio Remember — een radiostation speciaal voor mensen met dementie. Ze draaien muziek uit de jaren veertig tot zestig. En het werkt. Mensen die nauwelijks nog praten, beginnen te neuriën. Hun ogen lichten op.”
Roy schonk nog wat thee in. “Het is alsof het brein een shortcut neemt. Niet via taal, maar via klank en geur. De amygdala reageert direct. Dat is het emotiecentrum. En dat wordt wakker van een melodie of een geur die je ooit hebt gekend.”
Trees keek naar het potje lavendel dat nog steeds op de vensterbank stond. “Misschien moeten we hier in De Lege Knip een zintuigentafel maken. Geuren én geluiden. Een plek waar je even mag verdwalen in je herinneringen.”
Jannus knikte. “En wie weet — misschien helpt het ook mensen die iets kwijt zijn. Een herinnering, een gevoel, een stukje van zichzelf.”
Roy keek naar de oude radio. “Dan zetten we hem elke zaterdag aan. En wie wil, mag een geur meenemen. Een stukje zeep, een takje tijm, een lapje stof. En een liedje.”
Hij had net een nieuw nummer opgezet — Tulpen uit Amsterdam, zacht krakend uit de oude radio. Trees glimlachte, haar ogen even gesloten. “Mijn vader zong dat altijd als hij de planten water gaf,” zei ze. “Met zo’n rare buiging, alsof hij de tulpen persoonlijk wilde bedanken.”
Jannus bladerde nog steeds in het tijdschrift en wees op een klein artikel in de marge. “Kijk,” zei hij. “Alzheimer Nederland en Spotify hebben vorig jaar iets moois gedaan. Ze maakten afspeellijsten met muziek uit de jaren dertig tot tachtig. Familieleden konden er zelf liedjes aan toevoegen.”
Roy keek op. “Dat is slim. Dan wordt het niet alleen een lijst, maar een levensverhaal in klanken.”
“Precies,” zei Jannus. “Ze noemen het Muziekherinneringen. En het is bedoeld om te laten zien wat muziek kan betekenen — niet alleen voor mensen met dementie, maar ook voor hun mantelzorgers. Want als iemand niet meer praat, kan een liedje soms wél iets losmaken.”
Trees knikte. “Dat heb ik gezien bij mijn tante. Ze herkende niemand meer, maar toen we Het Dorp van Wim Sonneveld draaiden, begon ze te neuriën. En ze zei ineens: ‘Dat was op zondag, met pannenkoeken.’”
Roy stond op en liep naar de kast. “We zouden hier een middag kunnen organiseren,” zei hij. “Iedereen brengt een liedje mee. En een geur. En een herinnering.”
Jannus glimlachte. “Dan wordt De Lege Knip een plek waar het verleden niet verdwijnt, maar zachtjes mee ademt.”
De regen was inmiddels gestopt, maar binnen in De Lege Knip bleef de sfeer ingetogen. De radio speelde zachtjes een instrumentaal nummer uit de jaren zestig, en de geur van Adriaans soep hing nog als een warme deken in de ruimte.
Trees had haar breiwerk even neergelegd en keek naar een houten telraam dat Roy uit een oude doos had opgediept. “Die had ik vroeger ook,” zei ze. “Met van die rode en blauwe bolletjes. Ik weet nog precies hoe ze voelden — glad, maar met een klein randje.”
Jannus knikte. “Van Campen schrijft daarover. Dat aanrakingen ook flashbacks kunnen oproepen. Hij had het zelf toen hij de kinderbox van zijn moeder terugzag. Alleen al het vasthouden van de spijlen bracht hem terug naar zijn eigen kindertijd.”
Roy streek met zijn hand over het telraam. “Het is alsof je lijf iets onthoudt wat je hoofd allang vergeten was.”
Jannus bladerde in het artikel. “Wat hij zegt is fascinerend: geur, smaak, aanraking — die brengen ons bijna altijd terug naar onze vroege jeugd. Muziek is de uitzondering, die raakt eerder onze puberteit. Maar de rest? Dat gaat dieper. Naar de tijd vóór taal.”
Trees knikte. “Dat klopt. Als kind beleef je alles met je zintuigen. Je vertelt niet in zinnen, maar in indrukken. De giraffe was groot, de leeuwen brulden, de patat was lekker.”
Roy lachte. “Dat is precies hoe mijn kleindochter vertelt. Geen volgorde, geen logica — alleen beleving.”
Jannus keek op. “Van Campen zegt: als je echt terug wilt naar je jeugd, moet je je zintuigen prikkelen. Vraag naar oude recepten, haal speelgoed van zolder, zet platen op uit je jonge jaren.”
Trees stond op en liep naar de kast. “Dan stel ik voor dat we hier een zintuigentafel maken. Niet alleen geur en muziek, maar ook tast. Dingen die je kunt vasthouden. Een knikkerzak, een lapje flanel, een oude schoolfoto.”
Roy knikte. “En dan maken we er een middag van. Iedereen brengt iets mee. En vertelt wat het oproept — of zwijgt, en gewoon voelt.”
Jannus glimlachte. “Dan wordt De Lege Knip niet alleen een café, maar een plek waar je mag verdwalen. En misschien wel thuiskomen.”
De regen was inmiddels gestopt, maar binnen in De Lege Knip bleef het stil. De geur van Adriaans soep was vervangen door die van versgebakken appeltaart — Trees had hem meegenomen, “omdat het rook als vroeger.” Roy had de radio zachter gezet, en Jannus zat met een boek op schoot, een bladwijzer tussen de pagina’s van À la recherche du temps perdu.
“Proust,” zei hij ineens, “wist het al in 1913. Eén hap van een madeleine, en hij was terug bij zijn tante Léonie. Niet met woorden, maar met geur en smaak.”
Trees keek op. “Dat is precies wat we hier voelen. Die soep, die muziek, dat telraam. Het zijn allemaal madeleines.”
Roy knikte. “En nu blijkt uit hersenonderzoek dat Proust gelijk had. Wetenschappers in Londen lieten mensen herinneringen ophalen in een scanner. Eerst gebeurde er weinig. Maar zodra ze zich meer details herinnerden, lichtten er allerlei hersengebieden op.”
Jannus sloeg het boek dicht. “Dus een zintuiglijke herinnering is geen losse flits. Het is een netwerk. Een kettingreactie van beelden, gevoelens, geluiden.”
Trees sneed de taart aan. “En het begint vaak met iets kleins. Een geur, een smaak, een aanraking. Zoals Proust met zijn cakeje.”
Roy schonk koffie in. “Misschien moeten we hier een madeleine-moment invoeren. Iedereen brengt iets mee — een geur, een smaak, een voorwerp. En vertelt wat het oproept.”
Jannus glimlachte. “En dan kijken we niet alleen naar het verleden. We voelen het. Zoals Proust. Zoals wij.”
Het was inmiddels laat in De Lege Knip. De appeltaart was tot de laatste kruimel verdwenen, de koffie was lauw geworden, en op de achtergrond speelde zacht een instrumentale versie van Ramses Shaffy. De geur van lavendel, vermengd met die van soep, hing nog als een warme deken in de ruimte. Aan de leestafel lagen kleine relikwieën van de dag: een oud telraam met versleten kraaltjes, een cd van TiTa Tovenaar, een glazen potje met zand van Texel, en een vergeeld parfumflesje zonder etiket dat nog een vage geur van vroeger afgaf.
Trees streek met haar vingers langs het telraam en glimlachte. “Het voelt alsof we vandaag allemaal even kind mochten zijn.”
Jannus knikte bedachtzaam. “Niet alleen om terug te denken, maar ook om te begrijpen. Zoals Van Campen zegt: zelfs de pijnlijke herinneringen vertellen ons iets. Ze laten zien wie we waren — en wie we nog altijd zijn.”
Roy stond op, liep naar de oude stereo en liet een laatste melodie klinken. De Freggels zongen zacht: Maak muziek en lach, zorgen voor een andere dag… Iedereen glimlachte, alsof ze tegelijk een geheim deelden.
“Dat is het,” zei Trees, terwijl ze naar het parfumflesje wees. “Zintuigen zijn geen luxe. Ze zijn een brug. Naar vroeger, naar elkaar, naar onszelf.”
Door het raam glansde de straat nat onder de lantaarns. Jannus keek ernaar en fluisterde: “Soms is het genoeg om even stil te staan. Te ruiken, te luisteren, te voelen. En te beseffen: ik ben hier, maar ik draag alles met me mee.”
Roy doofde de kaarsen één voor één, zodat de ruimte langzaam donker werd. “Tot volgende week,” zei hij zacht. “Dan maken we weer soep. En misschien zetten we Swiebertje op.”
Plaats een reactie