
In een klein dorp aan de voet van een hoge berg leefden drie vrienden: Isaac, Youssef en David. Ze kwamen uit verschillende families, hadden verschillende gebruiken en geloofden op hun eigen manier. Toch speelden ze als kinderen altijd samen, deelden ze hun brood en hielpen ze elkaar in moeilijke tijden.
Maar naarmate ze ouder werden, begonnen mensen in het dorp hen te wijzen op hun verschillen. “Isaac bidt anders dan jij, Youssef.” “David viert andere feestdagen.” “Jullie horen niet echt bij elkaar.” Langzaam groeide er afstand tussen de drie vrienden.
Op een dag brak er een felle ruzie uit. Het begon klein: een discussie over wiens geloof de waarheid was. Maar woorden werden harde woorden, en harde woorden werden beschuldigingen.
“Jij begrijpt niet eens wie God echt is!” riep Isaac boos naar David.
“Jouw manier van bidden is verkeerd!” kaatste Youssef terug.
“Jullie zijn verblind door tradities en vergeten wat echt telt!” schreeuwde David.
Hun stemmen echoden door het dorp. Mensen keken toe hoe de drie oude vrienden tegenover elkaar stonden, met woede in hun ogen en pijn in hun hart.
Op dat moment kwam een oude reiziger langs. Hij had een lange baard, droeg een staf en zijn ogen straalden wijsheid uit. Hij zag de vrienden ruziën en liep naar hen toe.
“Waarom schreeuwen jullie zo tegen elkaar?” vroeg hij kalm.
“Omdat hij niet begrijpt hoe God echt is!” riep Isaac.
“Nee, híj begrijpt het niet!” zei Youssef fel.
“En jij dan? Denk je dat jij de enige bent met de waarheid?” vroeg David.
De oude man glimlachte en pakte drie kaarsen van een tafel. Hij stak ze één voor één aan en hield ze omhoog. “Kijk naar deze vlammen,” zei hij. “Ze zien er verschillend uit, maar waar komen ze vandaan?”
“Van het vuur,” mompelde David.
“Precies,” knikte de man. “Zoals deze kaarsen licht geven vanuit dezelfde bron, zo komen jullie harten ook van dezelfde Vader. Jullie woorden mogen verschillen, jullie tradities mogen anders zijn, maar jullie ziel is geschapen door dezelfde God.”
De vrienden keken elkaar aan. De woede verdween langzaam uit hun ogen en werd vervangen door schaamte. Was hun vriendschap echt zo zwak dat één ruzie hen kon breken?
Zonder iets te zeggen, stak Isaac zijn hand uit. Youssef legde de zijne erbovenop, en David deed hetzelfde. Ze begrepen het: ze waren kinderen van één Vader, en geen verschil was groot genoeg om hen te scheiden.
Vanaf die dag lieten ze zich niet meer verdelen door wat hen scheidde, maar verenigen door wat hen verbond: liefde, vriendschap en geloof.
Geef een reactie op ymarleen Reactie annuleren