
De regen viel zacht, als een herinnering die zich niet opdringt maar blijft. Buiten vervaagde de dag in een grijzige schemering, en binnen zat ik stil, een kop thee tussen mijn handen, alsof ik iets vasthield dat al lang verdwenen was.
Het was een avond zoals zovelen, en toch niet. Want in de stilte hing iets dat ik herkende: een afscheid dat nooit uitgesproken was, maar zich had genesteld in de kleine dingen. In de geur van jasmijnthee, in het tikken van de regen, in de lege stoel tegenover me.
Tranen kwamen niet met geweld. Ze kwamen als oude vrienden, voorzichtig, bijna verontschuldigend. Elke druppel droeg een herinnering, een moment dat ooit te zwaar was om te dragen. Maar vanavond voelde het anders. Het verdriet was niet weg, maar het had een plek gevonden waar het mocht zijn—niet als last, maar als deel van mij.
Ik dacht aan hoe afscheid zich soms niet laat vangen in woorden. Hoe het zich verstopt in stiltes, in gebaren, in het niet meer hoeven uitleggen. Misschien is het niet de tijd die heelt, maar het vermogen om te blijven zitten met wat er was. Om het niet weg te duwen, maar te laten bestaan.
En toen, onverwacht, kwam er een glimlach. Niet uit vreugde, maar uit begrip. Omdat ik wist: het leven gaat door, niet ondanks het afscheid, maar mét het afscheid. De regen tikte verder, de thee werd koud, en ik bleef nog even zitten. Niet om vast te houden, maar om los te laten. En dat was genoeg.
Geef een reactie op bertjens Reactie annuleren