
Het was een druilerige donderdagmiddag in De Lege Knip. De regen tikte ritmisch tegen het raam, alsof hij de maat sloeg van een vergeten dorpslied. Binnen zat een kring van mannen — niet georganiseerd, maar vanzelf ontstaan. Toon van Gils had net zijn derde koffie besteld, want sinds zijn bloeddruk omhoog was gegaan, mocht hij geen pils meer vóór vijven.
“Hebben jullie dat stuk gelezen?” begon hij, terwijl hij zijn leesbril op zijn voorhoofd parkeerde. “Over de man in verwarring. In het Brabants Dagblad. Die journalist, Chris van Mersbergen, die zichzelf in een interview had afgevraagd wat het betekent om een man te zijn.
Jacob knikte bedachtzaam. “Ik vond het moedig. Niet om dat oogcontact, maar om de vraag die hij durfde te stellen: ‘Wat betekent het om man te zijn, zonder karikatuur?’ Dat hoor je hier niet vaak.”
Jappie de postbode, inmiddels met pensioen, grinnikte. “Vroeger was je gewoon man als je een schuur kon timmeren en je mond hield bij verdriet. Nu moet je ineens je innerlijke kind knuffelen.”
Toon keek op. “Maar is dat erg? Misschien hebben we te lang gedaan alsof we alles wisten. Misschien is verwarring juist een teken van groei.”
“Verwarring is het begin van wijsheid,” mompelde Jacob, terwijl hij een lucifer aanstak zonder reden.
Er viel een stilte. Niet ongemakkelijk, maar geladen. Buiten trok een fietser zijn capuchon strakker. Binnen leunde de tijd even achterover.
“Die journalist,” vervolgde Toon, “zei: ‘Dat komt door ons.’ Over de onveiligheid van vrouwen. Dat raakte me. Niet als schuld, maar als verantwoordelijkheid.”
“Dat is het verschil,” zei Jacob. “Schuld sluit af. Verantwoordelijkheid opent.”
Jappie keek naar zijn handen. “Ik heb mijn kleindochter laatst gevraagd of ze zich veilig voelt op straat. Ze zei: ‘Soms wel, soms niet. Maar ik ben altijd alert.’ Dat brak iets in mij.”
Toon stond op, liep naar het prikbord en hing een briefje op: 🧠 “Mannencirkel — elke eerste maandag van de maand. Geen therapie, wel eerlijkheid. Oogcontact optioneel.”
De stamgasten lachten. Maar het was geen grap.
Het was inmiddels tegen de avond in De Lege Knip. De klok tikte richting half zes, maar niemand keek. De stamgasten zaten in een halve kring, alsof ze onbewust een ritueel begonnen waren. Toon van Gils had het artikel van Chris van Mersbergen uitgeprint en met een paperclip aan zijn notitieboekje bevestigd.
“Luister,” zei hij, “die journalist zegt dat mannen zich moeten afvragen wie ze zijn, zonder dat ze meteen een antwoord hebben. Dat is geen zwakte, dat is moed.”
Jacob keek op van zijn glas rode wijn. “Maar durven we dat hier? In de Lege Knip waar de grootste emotie meestal schuilt in het verliezen van een potje kaarten?”
Jappie de postbode, die vroeger nog brieven bracht met handgeschreven liefdesverklaringen, zuchtte. “Ik heb me dat nooit afgevraagd. Ik was man omdat ik werkte, zorgde, zweeg. Maar nu… mijn kleindochter zegt dat ze mannen wantrouwt. Niet mij, maar ‘mannen’. Dat doet pijn.”
Toon knikte. “Dat is het punt. We zijn deel van iets groters, ook als we zelf geen kwaad doen. We zijn decor, achtergrond, soms zelfs schaduw.”
Er viel een stilte. Buiten klonk het geratel van een scooter. Binnen werd het stiller dan normaal.
“Wat als we hier,” zei Jacob, “een keer geen mening hebben, maar alleen vragen? Wat als we verwarring niet oplossen, maar onderzoeken?”
Toon haalde een stapel bierviltjes tevoorschijn. “Schrijf één vraag op. Geen stelling, geen oordeel. Alleen een vraag die je zelf niet durft te stellen.”
De mannen schreven. Met trillende handen, soms met een grapje tussendoor, maar ze schreven.
- “Ben ik ooit écht aanwezig geweest in mijn gezin?”
- “Durf ik te huilen waar anderen mij zien?”
- “Wat betekent mannelijkheid zonder macht?”
- “Heb ik ooit sorry gezegd zonder uitleg?”
- “Ben ik bang voor vrouwen die sterker zijn dan ik?”
Toon las ze voor, zonder namen. De stilte na elke vraag was zwaarder dan woorden. Maar ook lichter. Alsof er iets werd losgelaten.
Jacob glimlachte. “Misschien is dit onze mannencirkel. Geen coach, geen kaarsen, maar bierviltjes en stilte.”Hij stond op. Zijn schaduw viel lang over de bierviltjes op tafel. Hij keek de kring rond, zijn stem was zacht maar onontkoombaar.
“We hebben te lang gedaan alsof mannelijkheid vanzelf spreekt. Alsof zwijgen een deugd is, en macht een recht. Maar de wereld vraagt iets anders van ons. Niet minder mannelijkheid, maar meer menselijkheid.
Als we blijven hangen in karikaturen — de stoere zwijger, de onhandige sul, de gevaarlijke dader — dan zijn we niet alleen onbegrijpelijk voor vrouwen, maar ook voor onszelf.
Dus ja, verwarring is ongemakkelijk. Maar het is ook een kans. Een kans om opnieuw te leren kijken, luisteren, voelen. Niet als therapie, maar als verantwoordelijkheid.
Want als wij, hier in De Lege Knip, niet durven beginnen met vragen stellen, wie dan wel?”
Hij ging zitten. Niemand klapte. Maar de stilte was instemmend. En buiten, in de regen, leek zelfs de straat even te luisteren.
Plaats een reactie