
Toen ik 17 jaar was, kon men wel eens beginnen met dansen. Bij café Ekkers aan de Heideburen werd door Frans Wuijts dansles gegeven. Frans was een bekende figuur in de buurt; velen kenden hem van zijn autorijschool en zijn carrière als voetballer in het kampioenteam van Abe Lenstra.De danslessen waren een populaire bezigheid onder de jongeren. Het was een tijd waarin we nieuwe vrienden maakten en onszelf uitdaagden op de dansvloer. De sfeer bij café Ekkers was altijd levendig, vol gelach en muziek. Frans was een geduldige leraar, die ons niet alleen de danspassen leerde, maar ook veel plezier bracht tijdens de lessen.
Op deze danslessen leerde ik “Geertje,” mijn eerste vriendinnetje, kennen. Hoewel we niet meer dan danspartners waren, was ze een leuke metgezel tijdens de lessen. Een aantal keren bracht ik haar na de dansles thuis in Oudehaske, natuurlijk op de brommer. Na afloop van de danslessen verwaterde de vriendschap, maar ik heb haar nadien nog wel eens gesproken.
We leerden de foxtrot, de wals en natuurlijk de cha-cha-cha. Het waren avonden vol plezier en beweging, waar we soms onhandig over de dansvloer schuifelden, maar altijd met een glimlach. En hoewel niet iedereen een natuurlijke danser was, ging het vooral om de lol en de gezelligheid.
Na de danslessen brak er een nieuwe periode aan: het verkennen van dancings en plaatselijke dansgelegenheden in de omliggende dorpen. Overal ontmoetten we leuke meisjes en hadden we veel plezier. Het was een tijd van onbezorgdheid en avontuur.
Natuurlijk ging het niet altijd vlekkeloos. Vooral in bepaalde dorpen werden we niet altijd met open armen ontvangen. De jongens uit die dorpen wilden niet dat wij, vreemdelingen, hun meisjes inpikten. Dit stond vaak in schril contrast met de meisjes zelf, die het juist geweldig vonden dat er vreemden interesse in hen toonden.
Desondanks waren het avonden vol muziek, dans en nieuwe vriendschappen. Het avontuur van telkens een nieuwe plek ontdekken en de spanning van wie je die avond zou ontmoeten, maakten deze tijd onvergetelijk. Zelfs de minder leuke ontmoetingen, waar jaloezie en territoriale trots de boventoon voerden, maakten deel uit van de charme van die jeugdige jaren.
Het was een tijd waarin we leerden omgaan met afwijzing en acceptatie, en waarin we de grenzen van onze jeugd en vrijheid verkenden. Uiteindelijk ging het om de herinneringen en de verhalen die we eraan overhielden, en die we nu met een glimlach kunnen vertellen.
Verhaal: Mijn Zestiende Verjaardag op de Berini
Het was 11 februari 1962, mijn zestiende verjaardag. De dag waar ik zo naar had uitgekeken! Het was koud, maar droog. Bijna al mijn vrienden van zestien reden al op een bromfiets, en ik kon niet wachten om ook de weg op te gaan. Het betekende niet dat ik direct een bromfiets kreeg, maar ik mocht er wel op rijden. Die eerste zondag mocht ik de Berini van mijn moeder lenen.

Ik moest eerst nog leren rijden op zo’n snelle wegpiraat. Dus begon ik voorzichtig, vooral in de bochten, om het gevoel te krijgen dat ik er niet uit zou vliegen. Op de lange stukken weg ging het prima. Na zo’n 10 kilometer gereden te hebben, reed ik op een stil landweggetje met een behoorlijke snelheid. Toen doemde er een scherpe bocht naar rechts op, waar ik te veel moeite mee had en dus gleed ik daar in die bocht onderuit.
Gelukkig mankeerde de Berini niets, maar mijn kleren waren vuil en zwaar beschadigd bij de elleboog en knie. Mijn eigen verwondingen vielen mee, slechts een schaafwond. Toch moest ik naar huis, met trillende benen. Hoe zouden mijn ouders reageren?
Mijn angst bleek ongegrond. Mijn ouders waren opgelucht dat de schade niet groter was en hoopten dat ik er iets van geleerd had.
In die jaren werd er regelmatig door de politie gecontroleerd bij de bromfiets rijdende jeugd op leeftijd. Een aantal vrienden van mij werden ook vaak aangehouden omdat hun motoren waren opgevoerd. Voor mijn zestiende had ik ook weleens met een bromfiets door het centrum gereden. Een agent, genaamd “Piek,” had mij daarom al eens aan willen houden, maar dat was hem niet gelukt.
Op een dag, toen ik met vrienden door de hoofdstraat reed, werd ik eruit gehaald met de vraag naar mijn leeftijd. “16 jaar, meneer de agent,” antwoordde ik. Hij vroeg: “Moet ik dat geloven?” In die tijd hoefde je nog geen legitimatiebewijs bij je te hebben, dus ik kon het niet direct bewijzen. Gelukkig wist hij waar mijn ouders de slagerij hadden en was hij daar langs geweest om het te verifiëren. Ondanks dat er in die tijd nog respect voor politieagenten was, vond ik het achteraf wel stoer dat deze agent mij niet voor mijn zestiende had gecontroleerd.
Avonturen op de Bromfiets en Meer
Het heeft even geduurd, maar uiteindelijk kreeg ik mijn eigen bromfiets. Ik moest er wel flink voor zeuren, maar door vol te houden, lukte het toch. Aangezien de Batavus-fabrieken in onze gemeente stonden en onze fietsmaker een goede deal kon maken, werd het een Batavus. Ik mocht hem niet zelf uitkiezen, want “wie betaalt, bepaalt,” zei mijn vader altijd, en daar moest ik maar genoegen mee nemen. Het werd een Batavus Combi Sport, waar ik toch blij mee was. Ik gebruikte de bromfiets privé, maar voor het bezorgen van bestellingen kwam er een grote dubbelzijdige tas over de zitting heen.

Een vriend van mij, Klaas Kramer, zat toen nog op de Ambachtschool en zijn vader werkte bij Batavus. Hij kreeg een Batavus Super Sport, die meer op een racemotor leek. Batavus gebruikte toen ILO-motoren, die gemakkelijk op te voeren waren.

Vanuit Klaas zijn opleiding was dat eenvoudig te doen. Bij mijn bromfiets hebben we dat nooit gedaan, omdat ik niet de enige baas erover was, maar veel andere bromfietsen werden wel opgevoerd. In Oudehaske heeft Klaas een bromfiets opgevoerd die 120 km/u kon halen.
De tochten die we in de weekenden maakten, voerden ons vaak naar plaatsen als Sneek, Drachten, Gorredijk en Joure. Daar zochten we de gezelligheid op in het centrum, waar veel jongeren samenkwamen.

’s Avonds bezochten we optredens van muziekgroepen in lokale horecazaken. Het was een tijd waarin we regelmatig met een twintigtal brommers onderweg waren. Hoewel het dragen van een helm toen nog niet verplicht was, droegen we er wel één voor onze veiligheid.
Het enigste probleem van een helm is dat het een blok aan het been is wanneer je een café, kroeg of bar Dancing binnenstapt en de helm moet stallen. Maar het dragen heb ik altijd noodzakelijk gevonden. En ook dat was maar goed. Op een zondag stonden we bij Klaas Kramer voor het huis, klaar om te vertrekken. Zonder op of om te kijken draaide ik de weg op. Een paar uren later werd ik wakker in het ziekenhuis, zonder te weten wat er gebeurd was. Blijkbaar was ik, doordat ik dwars de weg op reed, geschept door een bus van de Fram. Gelukkig mankeerde mij lichamelijk niets, maar ik moest wel zes weken rustig aan doen en onder controle in het ziekenhuis blijven. Toen ik het ziekenhuis mocht verlaten, was de brommer alweer gemaakt en bleek er weinig schade aan te zijn.
Gedurende al die jaren dat we in het weekend op de brommer op pad waren, werd de brommer tijdens de werkuren ook gebruikt voor het bezorgen van bestellingen. Dit gebeurde altijd op woensdag, vrijdag en zaterdag. Jaren daarvoor, toen we nog op de transportfiets reden, bezorgden we zelfs elke dag.
Op een ochtend was ik in de werkplaats aan het werk toen mijn moeder, met een hand in een doek gewikkeld, achterom kwam en vroeg of ik haar naar de huisarts wilde brengen. Mijn moeder, in die jaren een stevige vrouw met een vol postuur, had een flinke snee in de muis van haar hand en wilde graag dat ik haar achterop de brommer naar de arts bracht. Voor mij geen probleem; ik had er geen bezwaar tegen om mijn moeder achterop te nemen.
Maar ja, toen we eenmaal op de Dracht aankwamen, zag mijn moeder in de verte, op ruim 100 meter afstand, een auto aankomen. Ze riep meteen: “PAS OP, PAS OP, daar komt een auto aan!” In die jaren mocht er aan beide kanten van de Dracht nog met auto’s gereden worden. Ondanks dat ik niet te hard reed, moest ik heel voorzichtig zijn. Ja, natuurlijk ben je altijd zuinig op je moeder, maar voor haar waren het wel even heel angstige momenten.
Na de hechtingen bij de huisarts was de terugweg een stuk minder angstig, al begreep ik niet helemaal waarom. Misschien was de opluchting dat het ergste voorbij was en dat we weer veilig thuis waren.
Wat een avonturen hadden we in die tijd! Het brommerrijden bracht ons niet alleen op prachtige plekken, maar ook in spannende situaties. Het was een periode van vrijheid en avontuur, vol herinneringen die ik koester. En wat was het leuk om met een meisje achterop de buddysit te toeren, of met je vrienden op pad te zijn naar alles wat maar leuk leek te zijn. Die tijd was echt magisch, hè? Het bezoek aan cafetaria’s waar de geur van verse patat en hamburgers je tegemoet kwam, de gesprekken in de portieken waar je met vriendinnetjes de wereld kon doornemen. Flirten was een subtiele kunst. Een vluchtige blik, een glimlach of een onschuldige aanraking kon al voldoende zijn om die vonk te voelen.
Het versieren of versiert worden had zijn eigen charme. Jongens probeerden indruk te maken met grappige opmerkingen of stoere verhalen, terwijl meisjes vaak subtieler te werk gingen, met blikken en glimlachen die veelzeggend waren. Het was een spel van aantrekken en afstoten, waarbij de winkelstraat het toneel was van deze jeugdige romances.
De portieken van gebouwen en de hoekjes van straten werden tijdelijke toevluchtsoorden voor die speciale gesprekken. De echo’s van gelach en fluisteringen vulden de lucht, en elke hoek had zijn eigen verhaal. Het was een tijd van onbezorgdheid, waar elk moment een nieuw avontuur kon brengen. In onze vriendengroep kwam toen het idee op om naar dansles te gaan.
Het toeren op de brommer duurde tot 1965, toen ik auto mocht gaan rijden. Het rijexamen voor de auto haalde ik in één keer. Het rijbewijs voor de motor lukte twee keer niet en daar heb ik verder niets meer aan gedaan.
Al vrij snel na het behalen van mijn rijbewijs waren er judowedstrijden in Drachten. Midden in de winter, met vriesweer, kreeg ik voor het eerst de auto mee. Trots op deze mijlpaal reed ik met mijn vrienden naar de wedstrijdlocatie. Helaas wisten we daar niet veel te bereiken met het judoën.
’s Avonds, rond een uur of elf, keerden we terug naar huis. Al snel merkten we dat het spiegelglad was. Door langzaam te rijden, bereikten we het kruispunt Burgemeester Wuiteweg met de snelweg A7. Op de klinkers begon de auto te glijden en gleed door over het kruispunt heen richting het Zuid. Door het glijden was het niet mogelijk de afslag van de A7 te nemen.
Met de schrik in de benen, maar voorzichtig, reden we door en namen de route via Beetsterzwaag, binnendoor naar Heerenveen. Uiteraard ben ik later nog wel eens vaker in de slip geraakt, maar gelukkig nooit met schade.
Plaats een reactie