
Ze heetten Iwan, Branimir, Tomas en Elrik. Vier mannen uit het oosten van het koninkrijk Valderion. Boerenzonen, dagloners, overlevers. Ze werden uitgenodigd — lees: opgeroepen — om deel te nemen aan een nieuw ‘feest voor het volk’. De Ambachtsspelen.
De brief was duidelijk:
“Verschijn voor zonsopgang aan de poorten van de grote arena. Breng uw handen mee. Gereedschap wordt verstrekt. Het volk kijkt uit naar uw kunnen.”
Ze dachten aan hun moeders, aan hongerige kinderen, aan schulden. En ze gingen.
De arena was kolossaal. Gebouwd van steen dat zijzelf of hun vaders ooit uit de grond hadden gehaald. Op de bovenste rijen zaten de edelen met hun valken op de arm, beneden de kooplieden in bont. Het gewone volk — hun soort — mocht kijken vanuit de schaduw. Maar meedoen, nee, dat was slechts voor een paar uitverkorenen. Of noem het uitgelotenen.
De opdracht was absurd: bouw in drie uur een katapult van hout en steen, en raak een wapenschild op dertig meter afstand. En dat alles in het zicht van duizenden ogen.
Terwijl zij zwoegden en zweet in het zand droop, werd boven gelachen. “Die met die baard lijkt meer op een ezel dan een metselaar!” riep iemand, en er werd gegrinnikt. Wetten werden gesloten. Vrouwen in fluwelen gewaden nipten aan wijn. Het zand werd nat van arbeid, het balkon van amusement.
Maar ze maakten het. Het katapultje werkte. De steen vloog, elegant en dreigend, en raakte het schild. Recht in het midden. De arena ontplofte in applaus. Prins Arvid hief zijn beker. “Ziedaar het nieuwe volk,” riep hij. “Werkend, zwetend en nuttig!”
En toch — toen de vier mannen de arena verlieten, wachtten geen paarden of karren op hen. Geen beloningen, geen titels. Alleen een klop op de schouder, een halve munt en een vage belofte: “Misschien volgend jaar weer.”
Zevenhonderd jaar later
Nu heet het geen arena meer, maar maatschappij. De zandvloer is vervangen door een flexcontract, het publiek door stemmers, kijkers, managers. De wapens zijn laptops, cv’s en formulieren.
Maar de spelregels zijn hetzelfde.
Er wordt gebouwd. Gezorgd. Gesjouwd. Door mensen die nooit het balkon zullen bereiken. Bovenin: de besluitnemers, de planners, de “investeerders in menselijk kapitaal.” Ze kijken, ze klappen, ze praten over “zelfredzaamheid” en “eigen kracht”.
Af en toe haalt iemand het — een succesverhaal, een uitzondering. Die wordt opgevoerd op tv. “Kijk,” zegt men dan, “als hij het kan, waarom jij niet?”
Beneden wordt doorgewerkt.
En de arena, die bestaat nog steeds.
Alleen heet hij nu: normaal.
Geef een reactie op bertjens Reactie annuleren