
Het was laat in de middag toen Claus opkeek en merkte dat het licht in de kamer langzaam vervaagde. De schemer kroop door de gordijnen, maar hij had het nauwelijks opgemerkt. Al uren zat hij aan zijn schrijftafel, gebogen over een leeg vel papier dat maar niet gevuld wilde worden. Morgen zou hij spreken — namens zijn broer en zus, namens het gezin dat nu een moeder moest loslaten.
De woorden zaten ergens diep vanbinnen, dat wist hij. Herinneringen genoeg, liefde in overvloed. Maar hoe begin je aan een verhaal dat eigenlijk niet verteld wíl worden?
Hij zuchtte, schoof de stoel iets dichter naar het bureau en nam opnieuw zijn pen ter hand.
Langzaam, bijna aarzelend, schreef hij:
“Beste mensen, namens mijn broer en zus heet ik u welkom om samen afscheid te komen nemen van onze moeder, Willy Bats.”
Toen hij de zin teruglas, bleef zijn hand even rusten op het papier. Het was een eenvoudige opening — zonder versieringen, zonder poespas — precies zoals hij dacht dat zijn moeder het gewild zou hebben.
Hij schrijft in de trend van wat hij met hen wil delen, nl geen opsomming van jaartallen, maar het verhaal van haar leven — hoe ze, samen met onze vader, een bestaan opbouwde in moeilijke tijden, hoe ze moedig was toen het moest, en hoe ze tot het laatst zichzelf bleef: nuchter, zorgzaam en sterk.
Hij wist: morgen zou hij spreken — niet om het verdriet te bezweren, maar om het leven te eren. Als hij zijn moeder in één zin moest beschrijven, dan was het deze:
“Ze was als haar slagerij: stevig, betrouwbaar en altijd open voor wie iets nodig had.”
De uitvaart verliep eenvoudig, zoals bij haar paste. Familie, buren en oud-klanten waren gekomen; de bloemen waren sober, de muziek vertrouwd. Er werd gesproken over haar inzet, haar zorgzaamheid en haar rustige aanwezigheid — over hoe ze zong en leefde met hart en ritme.
Toen Claus naar voren liep, voelde hij dat de woorden al in de ruimte hingen.
“Onze moeder was geen vrouw van grote woorden,” zei hij. “Maar ze had een leven dat sprak — in haar trouw, haar zorg en haar lef”. En zo vertelde hij haar hele levensloop en eindigde met: “Vandaag voel ik vooral dankbaarheid: voor wie ze was, en voor hoe ze bleef — tot het einde toe — zichzelf.”
Na de dienst bleef de kist nog even staan — niet als een einde, maar als een laatste moment van nabijheid.
In de gastenkamer vloeide het samenzijn vanzelf. Koffie, zachte stemmen, een hand op een schouder. Er werd herinnerd en gezwegen, gelachen en geknikt. Verhalen over de slagerij, over de tocht naar Angerlo, over haar plek bij het koor — kleine beelden die haar opnieuw tot leven brachten.
Claus stond bij het raam met een kop koffie, luisterde naar de stemmen achter zich en dacht: zo zou zij het gewild hebben — eenvoudig, warm, zonder gedoe.
En zo werd het afscheid geen punt, maar een komma: een overgang van aanwezigheid naar herinnering.
Na het afscheid liep Claus langzaam naar huis. De dag voelde zwaar, maar niet leeg — eerder als iets wat nog moest bezinken. Terwijl hij langs de Lege Knip kwam, aarzelde hij niet en stapte naar binnen.
Aan de grote tafel zaten enkele bekenden. Ze wisten van het afscheid, knikten hem toe, en Jannus stond meteen op om koffie te halen. Er werd voorzichtig gegroet, handen werden even gelegd op zijn schouder, maar niemand begon een gesprek — de stilte sprak genoeg.
Toen Jannus terugkwam en naast hem ging zitten, duurde het even voordat hij zacht vroeg:
“Is de uitvaart goed gegaan vanmorgen?”
Claus keek voor zich uit.
“Ik denk van wel,” zei hij na een korte stilte. “Maar eerlijk gezegd weet ik het niet precies meer. Toen ik hierheen liep, dacht ik: wat is er de laatste weken veel gebeurd — zonder dat we het echt hebben beseft. We moeten wel in een soort roes hebben geleefd.”
“Het moet eerst maar eens gaan indalen,” zei Claus zacht, terwijl hij zijn handen om het kopje koffie sloot. De warmte ervan deed hem goed — iets eenvoudigs, iets echts, na al dat geregel en die stilte van de dag.
Jannus knikte begrijpend. “Dat duurt even,” zei hij. “Het komt in stukjes. Eerst de drukte, dan de leegte. En pas daarna… de herinneringen die blijven hangen.”
Claus glimlachte flauwtjes. “Ja, dat zal wel. Je denkt dat je alles bewust meemaakt, maar eigenlijk glijdt het meeste langs je heen. Pas later zie je wat het echt was.”
Aan de andere kant van de tafel werd zacht gepraat, kopjes tikten tegen schoteltjes, en ergens klonk het gerinkel van een lepel in een glas. Het leven ging door, precies zoals zijn moeder het zou hebben gewild — rustig, zonder omhaal.
Hij keek even rond in de Lege Knip. “Weet je, Jannus,” zei hij, “toen ik hier net binnenkwam, voelde het bijna alsof ze erbij was. Niet letterlijk, maar in de rust, de eenvoud… de sfeer van dit alles. Alsof ze me hier even naartoe heeft gestuurd.”
Jannus keek hem aan, met dat stille begrip dat woorden overbodig maakt. “Misschien heeft ze dat ook wel gedaan,” zei hij.
Ze zwegen even, terwijl buiten de wind langs de oude schoolmuren streek — een zachte beweging, als een zucht van iets dat voorbij is, maar niet verdwenen.
Claus nam een slok van zijn koffie, zette het kopje neer en keek even naar het licht dat door het raam van de Lege Knip viel. Toen begon hij te vertellen.
“Mijn ouders hebben hun leven lang keihard gewerkt,” zei hij rustig. “Ze begonnen net voor de oorlog, in een kleine slagerij midden in een Jodenwijk. Vader achter de toonbank, moeder in de werkplaats. Het waren zware jaren — eerst de angst, toen de schaarste. En toch bleven ze overeind. Toen vader door de Duitsers werd weggevoerd voor dwangarbeid, hield moeder samen met opa de zaak draaiende. Tot ze het op een dag niet langer uithield van ongerustheid. Ze stapte op de fiets en reed helemaal naar Angerlo om hem zelf terug te halen. Dát was mijn moeder — moedig, eigenzinnig en trouw.”
Hij zweeg even, keek naar zijn handen.
“Na de oorlog bouwden ze alles weer op. De winkel verhuisde, de klanten kwamen terug. En toen vader overleed, bleef ze sterk. Ze ging alleen verder, zonder te klagen, met dezelfde regelmaat die haar leven altijd structuur had gegeven.”
Jannus luisterde aandachtig. De anderen aan de tafel waren stil.
“Maar de laatste jaren,” ging Claus verder, “werden moeilijker. Ze bleef lang zelfstandig, maar toen dat niet meer ging, verhuisde ze naar een huis met zorg. De eerste tijd redde ze zich goed, maar langzaam begon haar lichaam haar in de steek te laten. Eerst kreeg ze last van winderigheid, iets waar ze zich enorm voor schaamde. Ze bleef daardoor weg uit de eetzaal en de recreatie. En toen haar benen zwakker werden, kwam ook de rollator erbij. Zelfs dat werd uiteindelijk te zwaar.”
Hij zuchtte.
“Het moeilijkste was dat ze geestelijk nog zo helder was. Ze voelde precies wat er gebeurde, hoe haar lijf stukje bij beetje afscheid nam. En dat maakte het zwaar. Ze zei meer dan eens tegen haar huisarts: ‘Jij hebt iets in je tas waar je me enorm mee zou kunnen helpen.’ Maar de arts vond dat ze daar nog niet aan toe was. Misschien heeft hij niet goed geweten hoe erg het geworden was, want de communicatie tussen het zorgpersoneel en hem liep niet soepel. Hij wist niet dat ze inmiddels met een takel uit haar stoel en uit bed moest worden gehesen — vastgesnoerd in een harnas, met haken aan een handmatige lift, om haar naar het toilet te brengen.”
Claus keek op, zijn stem zachter nu.
“Ruim een week geleden was ik bij haar. Ze hing weer in die takel toen de arts toevallig binnenkwam. Voor het eerst zag hij hoe ze eraan toe was. Hij schrok, denk ik. Haar scherpe geest had hem altijd de indruk gegeven dat ze er nog lang niet was — maar toen hij haar daar zo zag, wist hij beter.”
Hij zweeg even, keek naar de vloer, toen weer op.
“Na overleg met ons, de kinderen, heeft hij toen besloten haar wens te respecteren. Niet om haar het leven te ontnemen, maar om haar het lijden te besparen. Zo is het gegaan. Kalm, waardig, op haar manier.”
Er viel een lange stilte aan tafel. Alleen het zachte gezoem van de koelkast klonk nog in de achtergrond.
Toen zei Jannus, bijna fluisterend:
“Ze had gelijk — ze wist wat ze wilde, tot het einde toe.”
Claus knikte langzaam. “Ja,” zei hij. “Ze is gegaan zoals ze geleefd heeft: met overtuiging, met waardigheid, en zonder omhaal.”
Claus haalde diep adem en leunde wat achterover, alsof hij zijn gedachten moest ordenen.
“Het was een hectische week,” begon hij. “Vanaf het moment dat ze overleed, leek alles in een stroomversnelling te komen. Er was nauwelijks tijd om stil te staan — alleen regelen, bellen, schrijven. De uitvaart moest vorm krijgen: de kaarten, de bloemen, de muziek. Je denkt dat je voorbereid bent, maar je hebt geen idee hoeveel er op je afkomt.”
Hij nam een slok van zijn koffie. “En dan, alsof dat nog niet genoeg is, krijg je te horen dat haar appartement binnen vijf dagen leeg moet zijn. Vijf dagen, terwijl je nog nauwelijks beseft dat ze er niet meer is. Het voelt onmenselijk — alsof rouwen moet wijken voor de sleuteloverdracht.”
Jannus keek hem ernstig aan. “Vijf dagen? Dat is toch absurd. En klopt het wat ik hoorde — dat zelfs de vloerbedekking eruit moet, ook al ligt die er nog maar net?”
Claus knikte. “Ja, dat klopt. Nieuwe vloer, gordijnen, verlichting — alles moet eruit. Het appartement moet helemaal kaal opgeleverd worden, alsof er nooit iemand heeft gewoond. Je sleept dozen, sorteert herinneringen, beslist wat weg kan en wat blijft. En terwijl je dat doet, dringt het pas echt door: dit is het laatste wat van haar overblijft, dit huis vol kleine sporen van wie ze was.”
Hij keek naar zijn handen. “Het is vreemd,” zei hij zacht. “Je ruimt op, maar eigenlijk probeer je vast te houden. Elk kopje, elk lijstje, elk lapje stof vertelt iets. En toch moet het weg — omdat de tijd dat zo voorschrijft.”
Jannus zweeg even. Toen zei hij: “Er zou ook wat menselijkheid in dat soort regels mogen zitten.”
Claus glimlachte flauwtjes. “Ja,” zei hij, “maar regels zijn zelden menselijk. Daarom zit ik hier — om het even van me af te praten. Want pas nu begint het een beetje te landen.”
Geef een reactie op bertjens Reactie annuleren