
Op een ochtend wordt Toon van Gils wakker, na een nacht waarin de slaap hem maar niet wilde vinden. Zijn vrouw had al een paar keer geprutteld: “Ga nou eens slapen, of ga op de bank liggen. Ik moet morgenvroeg vroeg aan het werk, weet je nog.” Toon had zich omgedraaid, en niet veel later weer terug. Zijn hoofd zat vol.
Zoals wel vaker had hij het gevoel dat er in het dorp iets ontbrak, iets dat beter kon. En vannacht, tussen het draaien en het zuchten door, was het hem ineens helder geworden: een frituurkot op het dorpsplein, recht tegenover De Lege Knip. Een plek waar je na sluitingstijd nog een frietje kon halen, of een frikandel speciaal — voor de dorpsziel, zeg maar.
Maar hoe moest hij dat aanpakken? Wie moest hij spreken? En belangrijker nog: wat zouden ze in De Lege Knip ervan vinden? Daar waren ze misschien helemaal niet zo blij met een frituur tegenover hun gevel. De geur, het volk, de concurrentie. Toon voelde het al: dit zou weer zo’n plan worden waar hij zich in vast zou bijten, en waar hij zich misschien ook weer in zou verslikken.
Gelukkig ging om zeven uur de wekker. Voor Greetje was het tijd om op te staan. Ze rekte zich uit, keek Toon aan en zuchtte: “Nou, Toon, je wordt weer bedankt voor deze nacht. Waar ben je nu weer mee bezig geweest?”
Toon stond inmiddels voor de spiegel in de badkamer. De wallen onder zijn ogen verraadden een slapeloze nacht. Hij wreef over zijn gezicht, keek zichzelf aan en mompelde: “Sorry, Greetje… Ik heb weer een idee dat ik aan het uitbroeden ben. Maar daar wil ik nog even niets over zeggen.”
Greetje rolde met haar ogen, trok haar ochtendjas aan en verdween richting de keuken. Ze kende Toon inmiddels — als hij begon te broeden, kon het alle kanten op gaan. Van een dorpsraad tot een snackkar, van een buurtopera tot een plan voor een democratisch bankje. Maar ze wist ook: Toon had het hart op de juiste plek, al zat het soms in z’n hoofd.
Toon van Gils had zich aangekleed in zijn vertrouwde ribfluwelen broek en een trui die ooit beige was geweest, maar nu meer de kleur had van oude koffiefilters. Hij liep naar de keuken, waar Greetje al bezig was met de koffie. “Zeg,” begon hij voorzichtig, “stel hè… stel dat er op het dorpsplein een frituurkot zou komen. Gewoon, een bescheiden kar. Geen neonletters, geen muziek, gewoon friet en frikandellen. Zou dat iets zijn?”
Greetje keek hem aan alsof hij had voorgesteld om een achtbaan door de voortuin te leggen. “Toon, je weet toch hoe ze daar in De Lege Knip op reageren? Die hebben nog ruzie over het terras van de bloemist, en dat is al drie jaar weg.”
Toon knikte. “Ja, maar dit is anders. Dit is voor de dorpsziel. Voor de mensen die na een lange dag gewoon een frietje willen. Niet iedereen heeft zin in een discussie over de gemeentelijke visie op snackcultuur.”
Greetje zuchtte. “Praatjes vullen geen gaatjes, Toon. Je hebt al drie plannen in de la liggen. De dorpsopera, het democratisch bankje, en dat idee voor een buurtkrant die alleen in dialect verschijnt. Misschien moet je eerst eens iets afmaken.”
Toon keek naar buiten, naar het dorpsplein dat nog stil lag onder een dunne herfstmist. In zijn hoofd zag hij het al: een bescheiden frituurkar, met een lampje dat warm licht gaf, een krukje voor wie even wilde zitten, en een bord waarop stond: “Voor wie honger heeft, en voor wie gewoon wil blijven hangen.”
Hij wist dat het weer zo’n plan was. Zo’n idee dat hem zou opslokken, dat zou stuiten op bezwaren, vergaderingen, en waarschijnlijk een brief van de gemeente waarin stond dat de bestemming “horeca” niet paste binnen het bestemmingsplan. Maar hij wist ook: als niemand begint, blijft alles zoals het is.
En dus schreef hij die ochtend een brief. Niet aan de gemeente, niet aan de dorpsraad, maar aan Onno Hoes — de tijdelijke burgemeester, die volgens Toon net genoeg bestuurlijke afstand had om het idee met frisse ogen te bekijken. Hij schreef:
Geachte heer Hoes, Ik weet dat u hier maar tijdelijk bent, maar soms zijn het juist de passanten die iets durven zien. Ik heb een idee. Een frituurkot. Voor de dorpsziel. Niet als project, maar als gebaar. Wilt u eens langskomen in De Lege Knip? Ik trakteer op koffie. En als u durft: een frikandel speciaal. Met vriendelijke groet, Toon van Gils
Greetje las de brief en schudde haar hoofd. “Je bent een rare, Toon. Maar wel een goeie rare.”
Toon glimlachte. “Praatjes vullen geen gaatjes, Greetje. Maar soms beginnen ze wel met een frietje.”
Toon duwde de deur van De Lege Knip open. Het was nog vroeg, net na tienen, en de kroeg ademde die typische ochtendstilte: een paar vaste klanten, een krant op de bar, en het geluid van een koffiezetapparaat dat zijn best deed om de kater van gisteren weg te stomen.
Achter bij de leestafel stond Jannus, de allesweter, met zijn gebruikelijke blik van milde achterdocht. “Zo, Toon,” bromde hij, “wat kom je nou weer brengen? Geen folder over een buurtopera, hoop ik?”
Toon glimlachte, liep naar zijn vaste kruk — die kraakte zoals altijd — en legde een gevouwen vel papier op de bar. “Nee Jannus, dit keer geen opera. Een brief. Aan Onno Hoes.”
Jannus keek naar het papier alsof het een parkeerboete was. “Aan de burgemeester? Wat heb je nou weer uitgespookt?”
Toon nam een slok van de koffie die Jannus hem zonder vragen had ingeschonken. “Ik heb een idee. Een frituurkot. Op het dorpsplein. Voor de dorpsziel. En ik dacht: als iemand daar iets van kan vinden, dan is het Hoes. Die is hier maar tijdelijk, dus misschien durft hij iets te zien wat anderen al jaren niet meer willen zien.”
Aan het tafeltje bij het raam zat Rinus, die altijd alles wist van bestemmingsplannen en gemeentelijke procedures. Hij keek op van zijn krant. “Een frituurkot? Tegenover De Lege Knip? Toon, dat is vragen om gedonder. Je weet toch dat de gevel hier beschermd dorpsgezicht is?”
Toon knikte. “Ik weet het, Rinus. Maar soms moet je iets voorstellen dat niet mag, om te ontdekken wat wél kan.”
Jannus veegde de tafel schoon met een doek die al lang met pensioen had moeten zijn. “En wat denk je dat Hoes gaat doen? Een frikandel speciaal komen proeven en dan roepen: ‘Goed idee, Toon, we zetten het in het coalitieakkoord’?”
Toon haalde zijn schouders op. “Misschien niet. Maar misschien komt hij wel gewoon langs. Drinkt een koffie. Luistert. En zegt: ‘Ik weet het ook niet, maar ik blijf erbij.’ Dat zou al genoeg zijn.”
Het bleef even stil. Alleen het tikken van de klok boven de deur was hoorbaar. Toen zei Jannus: “Toon, je bent een rare. Maar als dat frituurkot er ooit komt, dan wil ik dat jij de eerste bent die een frietje haalt. En ik de tweede.”
Toon glimlachte. “Deal. En dan zetten we er een bord bij: ‘Praatjes vullen geen gaatjes, maar friet wel.’”
Rinus grinnikte. “Zorg dan wel dat het bestemmingsplan een sausoptie heeft.”
Geef een reactie op meninggever Reactie annuleren