
Er zijn mensen die opvallen omdat ze lawaai maken.
En er zijn mensen die opvallen omdat ze zo stil zijn geworden.
Jannus van der Leegte behoorde tot die laatste groep.
Hij woonde in een kleine flat boven een leegstaand winkelpand, waar het trappenhuis rook naar vochtige karton en oude soep. De brievenbus klemde. De vloer kraakte. En in zijn keukenkastjes stonden drie borden, twee mokken, en een pan zonder steel.
Zijn wekker hoefde hij nooit te zetten. Zijn lijf was inmiddels getraind op armoede-tijd.
Elke dag begon met een kop lauwe oploskoffie en een boterham zonder beleg. Hij at langzaam. Niet omdat hij wilde genieten, maar omdat er verder niets op het programma stond.
Solliciteren deed hij nog. Soms. Niet meer met hoop, maar uit plicht. Omdat het zo hoort. Omdat de mevrouw van de gemeente anders weer zou zeggen:
“Jannus, u moet actiever participeren.”
Participeren. Alsof hij vrijwillig op de bank zat te staren naar de afbladderende muurverf.
Maar gelukkig had hij de boeken nog.
In De Lege Knip was een plank vol paperbacks, vergeelde pockets, en vergeten meesterwerken. Jannus had er zijn vaste hoekje. Een oude fauteuil, wat doorgezakt, maar voor hem comfortabel genoeg. Daar zat hij vaak te lezen. Stil, met zijn benen over elkaar, de bril op het puntje van zijn neus.
Van thrillers tot reisverhalen, van Vestdijk tot Arnon Grunberg — hij las alles, zolang het hem maar even uit zijn eigen werkelijkheid tilde. Hij kende de boekenkast beter dan de vrijwilligers. En als er klanten kwamen snuffelen tussen de titels, schoof hij soms zijn leesbril omhoog en vroeg:
“Waar houdt u van? Romantiek? Of liever iets met een moord erin?”
De mensen schrokken soms, omdat hij zo plots sprak. Maar als hij eenmaal begon te vertellen over een boek, luisterden ze. Hij had er een talent voor. Niet om te verkopen, maar om te raken.
Sommigen kwamen speciaal terug voor zijn advies.
“Heb je nog wat dat lijkt op dat boek van vorige keer?”
En dan knikte Jannus, tikte tegen zijn slaap alsof hij een onzichtbare catalogus doornam, en trok iets uit de kast.
Vroeger rookte hij zware Van Nelle. Totdat een pakje net zoveel ging kosten als een halve week boodschappen. Hij had nooit gedronken. Op een Sneeuwwitje na — bier met 7-up, iets wat hij ooit op een kermis met zijn broer had gedronken. Maar dat was vóórdat zijn broer naar Canada emigreerde en Jannus in z’n eentje achterbleef.
Soms, als hij naar zijn eigen schaduw keek, dacht hij:
“Maar goed dat ik nooit getrouwd ben.”
Niet uit bitterheid, maar uit medelijden met wie het anders had kunnen zijn.
“Die ellende zou ik een vrouw en kinderen niet aan willen doen.”
Op een donderdag zat hij weer op het gemeentehuis. Fluorescerend licht, geur van oude plastic mappen, een klok die je verweet dat je tijd verspilde.
“En, meneer Van der Leegte,” zei een jongeman in een veel te strak jasje, “heeft u de vacature van conciërge bij het buurthuis overwogen?”
Jannus knikte. “Was al ingevuld.”
De jongeman fronste. “Dan kijk ik even met u mee naar de mogelijkheden.”
Hij keek. Klikte. Zuchtte.
En zei toen het zinnetje dat voor Jannus het einde was van elke hoop:
“U bent moeilijk plaatsbaar.”
Alsof hij een verkeerd puzzelstukje was geworden in een doos die allang weggegooid was.
Die avond zat Jannus op het bankje voor De Lege Knip. Trees kwam naast hem zitten, gaf hem een kop koffie in een mok met een barst erin.
“Je bent hier altijd welkom,” zei ze. “We hebben hier geen HR-afdeling. Alleen spullen met een tweede kans. En mensen net zo.”
Jannus knikte.
Er gleed een kleine glimlach over zijn gezicht.
Hij had misschien geen werk. Geen vrouw. Geen pensioen om naar uit te kijken.
Maar hij had De Lege Knip. Hij had Trees.
En hij had boeken.
En zolang hij daar af en toe een stoel mocht lijmen, een roman mocht aanprijzen of een klant blij mocht maken met een tweedehands parel voor vijftig cent,
was hij nog geen opgegeven mens.
Geef een reactie op mosckerr Reactie annuleren