
De ochtendlucht rook naar regen en asfalt toen Jannus de stoep opstapte richting het gemeentehuis. Hij had zijn map bij zich — een vergeelde plastic ordner waarin hij alles had gestopt: energienota’s, afschriften, sollicitatiebrieven, een boodschappenlijst met in de kantlijn: “per 1 juli geen pindakaas meer”.
Hij had zijn oude schoenen gepoetst met wat vaseline, de boord van zijn overhemd gestreken tussen twee theedoeken en zijn baard met een bot mes wat bijgepunt. Niet omdat hij zich illusies maakte, maar uit respect voor zichzelf. En een beetje voor Trees, die hem had aangemoedigd:
“Ga nou, Jannus. Laat ze maar eens zien dat jij geen sukkelaar bent.”
Op de derde verdieping van het gebouw, tussen het loket Woonlasten en het loket Bijzondere Bijstand, zat een vrouw achter een computer. Ze keek op toen hij ging zitten.
“U bent Jannus van der Leegte?”
“Die ja,” zei hij, en legde zijn map op tafel. “Ik dacht, ik kom maar eens uitleggen hoe het werkelijk zit.”
Wat volgde was geen klaagzang, maar een kalme reconstructie van een leven in de marge.
Hij liet haar zijn uitgaven zien, hoe hij nog precies wist wat een pak rijst kostte bij de Aldi en hoe hij zijn was in de douche deed om stroom te besparen.
“Ik rook niet, ik drink niet, ik heb geen auto, geen huisdier en geen kinderen. Alleen een paar boeken en een warme jas van de kringloop. Maar de laatste weken van de maand eet ik crackers met suiker.”
De vrouw zweeg even. Ze was nog jong, met een strak knotje en een blik die meestal automatisch ging bij woorden als ‘armoedeval’ of ‘zelfredzaamheid’. Maar dit was anders. Jannus zat daar niet als een slachtoffer, maar als iemand die zijn kaarten op tafel legde zonder iets te verhullen.
“Ik wil best werken,” zei hij, “maar niemand zit op een man van mijn leeftijd te wachten. En vrijwilligerswerk? Doe ik. In De Lege Knip. Vraag maar na. Ik geef mensen daar boekentips. Soms komen ze speciaal voor mij.”
Ze knikte langzaam.
“U heeft alles goed op orde. Dat is… zeldzaam. Vaak komt men met lege handen.”
“Mijn handen zijn ook leeg,” zei Jannus. “Maar mijn hoofd niet.”
Uiteindelijk kwam er iets uit. Geen wonder, geen gouden brug naar vaste baan of vet salaris. Maar ze kon bijzondere bijstand voor langdurige minima regelen, een aanvullende toeslag op zijn kale uitkering. Hij kwam ook in aanmerking voor een energiecompensatie die hij nooit had aangevraagd omdat hij dacht dat die alleen voor gezinnen was.
Ze gaf hem een lijstje van gemeentelijke werkplekken waar hij als boekencoördinator, taalmaatje of magazijnbeheerder eventueel zou kunnen instromen. “Geen garantie,” zei ze. “Maar u staat nu in beeld.”
Voor het eerst in lange tijd voelde Jannus iets als: erkenning.
Toen hij die middag terugliep naar De Lege Knip, voelde de regen minder nat dan anders. Trees stond buiten te roken onder een afdakje.
“En?”
Jannus haalde zijn schouders op.
“Ze hebben geluisterd. Dat is al wat.”
Trees kneep haar ogen samen tegen de rook.
“Weet je wat dat betekent?”
“Wat?”
“Dat je er nog toe doet.”
Jannus zweeg, maar zijn mondhoek trok iets omhoog.
De koffie smaakte die dag zachter. En het boek dat hij oppakte begon met de zin:
“Het leven veranderde niet ineens, maar met kleine verschuivingen.”
Plaats een reactie