
Het was op een donderdagmiddag toen Jannus van der Leegte merkte dat zijn vingers zich niet meer lieten dwingen.
De toetsen voelden plots als stenen, zijn pols tintelde en schoot af en toe in een kramp. Hij wilde nog een laatste bestand opslaan – een formulier van een of andere inkomensregeling – maar de S weigerde. Zijn pink had er de kracht niet meer voor.
Hij had net die ochtend een compliment gekregen van meneer Van Looy, de teamleider op het gemeentehuis.
“U werkt secuurder dan menig stagiair,” had die gezegd, terwijl hij een map dichtklapte.
Jannus had geglimlacht en “dank u” gemompeld. Hij had zelfs even gedacht: misschien zit er tóch nog iets in het vat voor een man van bijna zestig.
Maar nu… nu zat hij in de personeelskeuken met een lauwe mok cup-a-soup en een hand die hij nauwelijks durfde te bewegen.
Die avond bij De Lege Knip legde hij zijn handen op tafel en zei tegen Trees: “Kijk er ’s naar.”
Ze deed wat ze kon. Masseerde voorzichtig zijn polsen, draaide ze zachtjes rond, maar je zag het in haar gezicht: ze vertrouwde het niet.
“Je gaat morgen naar de fysio,” zei ze streng. “Geen discussie.”
De fysiotherapeut, een jongen van een jaar of dertig met een paardenstaart en warme handen, kneep hier, drukte daar, bewoog zijn vingers als een pianoleraar.
“Overbelasting,” zei hij. “Tendinitis. U moet rustiger aan doen. Pauzes. Rekken. En vooral: niet denken dat u twintig bent.”
Jannus knikte, maar ergens beet dat.
Rustiger aan? Hij was net op stoom.
“Ik ben juist blij dat ik weer wat kan betekenen,” zei hij. “Ik wil niet weer terug naar de dagen dat ik alleen maar op m’n horloge zat te kijken of de dag al voorbij was.”
De therapeut keek hem aan. “Meedoen is prima. Maar als je uitvalt, heeft niemand er iets aan. Zelfs jijzelf niet.”
Het sneed dieper dan Jannus wilde toegeven.
De dagen erna werkte hij half tempo. Op het gemeentehuis begon hij zijn dag met handgymnastiek. Trees zette een warm kompres klaar bij De Lege Knip. Ze had hem zelfs een ergonomisch kussentje gegeven voor onder zijn pols.
“Je bent geen machine,” zei ze.
Jannus bromde: “Soms zou ik willen van wel.”
En toch… toen hij zijn ritme hervond, trager maar zorgvuldiger, merkte hij iets anders. Hij zag weer dingen die hem eerder ontgingen. Hij merkte hoe mensen met hun boeken door de winkel dwaalden, soms doelloos, soms op zoek naar iets wat ze niet konden benoemen.
En bij het gemeentehuis begon hij te letten op de toon in de mails, de stijl in rapportjes. Hij begon zelfs stilletjes tips te noteren: “Taal kan vriendelijker,” schreef hij eens op een memo. Niemand lachte hem uit. Integendeel, de beleidsmedewerker paste de tekst aan.
Langzamer werd niet slechter. Het werd juist beter.
En op een ochtend, terwijl hij een oude vrouw in De Lege Knip uitlegde waar de Russische romans stonden, dacht hij: misschien is dit wel de kunst van ouder worden. Minder doen, maar meer betekenen.
Geef een reactie op wzijlstra10 Reactie annuleren