No 24. 14 april – Het geheim van Trees en de Lege Knip


Het was 14 april en wie het niet wist, zou het ook niet merken. In de Lege Knip ging alles zijn gewone gangetje. Mensen snuffelden tussen de boeken, pasten een jas, dronken een kopje koffie. Alleen Jannus wist dat er iets bijzonders aan de hand was. Iets wat al jaren in stilte voorbijging, maar dit jaar niet ongemerkt mocht blijven: het was de verjaardag van Trees van Balen.

Er werd nooit over gesproken. Geen slingers, geen taart, geen gefluister. Zelfs haar leeftijd was een raadsel, alsof die ergens in een dichtgeplakt envelopje zat dat niemand mocht openen. Maar Jannus wist het, en Trees had het hem zelf verteld, een paar weken eerder, tussen neus en lippen door. “Ik doe er eigenlijk nooit wat aan,” had ze gezegd. “Vroeger misschien nog, met mijn ouders of met m’n zus… maar tegenwoordig niet meer.”

Voor Jannus was dat ondenkbaar. Trees, die zoveel mensen hielp, die alles in de winkel draaiende hield, die een luisterend oor bood aan elke verdwaalde ziel — dat zij haar verjaardag stilletjes voorbij liet gaan? “Nee, Trees,” had hij geantwoord, “dit jaar niet. We gaan iets doen. Desnoods stiekem.”

“Oh Jannus,” had ze gezegd, half lachend, half afwerend. “Ik heb daar toch niks mee.”

Maar de week erop, tijdens de lunchpauze, kwam het gesprek vanzelf weer op 14 april. En opeens begon Trees te vertellen. Eerst wat losse flarden — over een juffrouw op de lagere school die haar altijd “de denker” noemde. Maar toen ze even doorging kwam haar hele leven voorbij.

Ze werd geboren op een regenachtige dinsdag in april. Haar moeder zei later vaak dat de regen op die dag niet triest was, maar eerder alsof de wolken zachtjes mee ademde met haar komst. Trees van Balen groeide op in een eenvoudig arbeidersgezin, in een buurt waar mensen elkaar nog kenden bij voornaam. Haar vader was schilder, een vakman met ruwe handen en zachte ogen, die het liefst ’s avonds bij het licht van een schemerlamp zat te tekenen op oude stukjes behang. Haar moeder werkte tot haar eerste zwangerschap in een boekhandel, tussen stapels verhalen, en kwam pas jaren later weer terug — parttime, toen Trees en haar oudere zus op school zaten.

Als kind was Trees stil. Niet het verlegen soort stil dat snel ontdooit bij een snoepje of een spelletje, maar het soort stil dat voortkomt uit een gevoel van niet helemaal begrepen worden. Ze had een zachte stem, stelde weinig vragen, en hield zich vaak op de achtergrond, alsof ze de wereld eerst van een afstandje wilde bekijken voor ze zich eraan overgaf. Op school viel ze op — maar dan op de verkeerde manier. Niet vanwege daden of streken, maar juist door haar afwezigheid. Ze deed niet mee, leek nergens bij te horen. En in die wereld, waar meedoen al snel hetzelfde betekende als bestaan, werd ze het mikpunt van pesterijen.

Kinderen kunnen genadeloos zijn. Haar schoenen waren niet van het nieuwste model, haar jas was tweedehands — dat wisten ze. En Trees zelf wist al snel: vertrouwen is iets dat je eerst moet verdienen, maar ook heel snel kwijt kunt raken. Ze verloor haar vertrouwen vroeg. Niet alleen in haar klasgenoten, maar ook in zichzelf.

Haar kamer werd haar veilige haven. De plek waar de deur op slot kon, waar niemand vragen stelde of opmerkingen maakte. En daar, op een smal bed met een oude deken, begon haar grote liefde. Boeken. Haar moeder had het boekhandelsvirus nooit helemaal losgelaten en bracht af en toe wat mee — tweedehandsjes, afgeschreven exemplaren, bundeltjes die niemand meer wilde hebben. Maar Trees verslond ze. Het was alsof de letters haar wereld weer een beetje groter maakten. Geen kind meer dat haar uitsloot, geen meester die haar niet zag. In boeken was iedereen iemand. Daar kon je reizen, dromen, verdwijnen en opnieuw verschijnen.

Ze las alles. Sprookjes, detectives, dikke romans met onbegrijpelijke woorden die ze opzocht in een vergeelde encyclopedie. Terwijl buiten haar klasgenoten touwtje sprongen of joelden bij het voetbalveldje, zat zij met opgetrokken benen op haar bed, bladzij na bladzij te verslinden. Niet uit plicht, maar uit pure honger naar iets anders. Iets beters.

Later, veel later, zou ze zeggen: “Ik leerde mensen eerst vertrouwen via papieren personages. Die logen niet. Die vielen je niet aan. Die gingen met je mee tot de laatste bladzijde.”

En zo begon het. Stil. Onzichtbaar bijna. Maar in die stilte groeide iets dat niemand toen nog zag — een vastberadenheid, een diepe veerkracht, die zich langzaam, pagina voor pagina, in haar hart nestelde.

Op de middelbare school veranderde er iets. Niet plotsklaps, geen wonderbaarlijke metamorfose zoals in sommige boeken waar ze zich vroeger in verloor. Nee, bij Trees ging alles geleidelijk. Haar onzekerheid had zich zo diep in haar genesteld dat ze nog vaak haar ogen neersloeg als iemand haar aankeek. Maar ze merkte iets op. Iets wat anderen leken te missen.

Ze begreep de lesstof sneller dan haar klasgenoten. Of het nu om geschiedenis ging of om moeilijke literaire teksten, zij had het boek al uit vóór de anderen hun tweede hoofdstuk begonnen. Ze wist dingen, onthield details, kon verbanden leggen die anderen pas zagen na uitleg. Niet omdat ze zo nodig de beste wilde zijn — aanvankelijk niet — maar omdat ze, zonder het te weten, jarenlang had geoefend met lezen, begrijpen, interpreteren. Al die uren in haar kamer hadden haar voorbereid. Terwijl anderen spelenderwijs leerden, had Trees zichzelf gevormd in stilte.

Langzaam groeide het besef: ik kan iets. En misschien, heel misschien, hoef ik me niet langer te verschuilen.

Ze besloot dat dit haar moment was. Ze zou zich niet meer klein laten maken. Ze zou bewijzen dat ze er mocht zijn. Met een bijna meedogenloze discipline zette ze zich achter haar schoolwerk. Haar rapporten werden voortaan bekroond met tienen en loftuitingen. En voor het eerst werd haar naam genoemd in de klas, niet als pispaal, maar als voorbeeld. Er werd geklapt toen ze een gedicht voorlas bij Nederlands. De leraar zei dat ze “bijzonder taalgevoel” had.

Ze wilde ergens bij horen. Werd lid van de schoolkrant, begon te helpen bij het schooltoneel. Toch bleef ze op haar hoede, alsof haar verleden als schaduw over haar schouder mee bleef lopen. Want wie eenmaal weet hoe het is om buiten gesloten te worden, vergeet dat nooit helemaal.

Toen ze ging studeren, bloeide ze verder open. In de stad was ze niemand, en dat was een zegen. Geen reputatie, geen herinneringen, enkel een blanco bladzijde. Ze studeerde letteren, vond haar weg tussen gelijkgestemden, en leerde daar — onverwacht — iemand kennen. Een man met zwarte krullen en ogen die altijd leken te lachen, zelfs als hij serieus was. Hij zag haar, en zij liet zich zien. Voor het eerst durfde ze iemand toe te laten, écht toe te laten.

Er volgden lange nachten, niet met boeken maar met blikken, aanrakingen, dromen. Ze gaf hem haar vertrouwen, haar hele hart. Ze lachte hardop, durfde haar hoofd op zijn schouder te leggen in de collegezaal, fluisterde haar diepste gedachten in zijn oor.

Maar zoals veel eerste liefdes kwam ook deze met een prijs. Ze ontmoete zijn ouders op een feestje. Hij was gul met zijn charme, maar zijn ouders waren tegen vanwege het klassenverschil. En Trees verbrak daardoor de beginnende relatie. Ze wist dat ze die strijd toch zou moeten verliezen.

Ze sloot zich weer af. Probeerde het later nog eens, met een ander, maar kon zich niet meer helemaal geven. Elke aanraking was een vraagteken, elke liefkozende zin klonk als een echo van iets dat eerder fout ging. Dus vluchtte ze. Niet letterlijk, maar in haar hoofd. In haar kamer. In haar boeken.

Ze ging niet op kamers, bleef liever thuis, bij haar ouders. Daar wist ze wat ze had. Daar waren de muren vertrouwd, het bed stil. Ze zette haar studie voort, haalde haar diploma met vlag en wimpel, maar feestte niet. Geen groot moment. Geen uitbundigheid. Ze was moe van de mensen. Ze verlangde naar rust.

En in die rust, in die eenzaamheid die ze al zo goed kende, begon iets nieuws te gisten. Ze schreef. Niet zomaar wat zinnen. Verhalen. Korte scènes, soms flarden van gedachten. Haar schrift raakte voller en voller.

Ze wist nog niet dat die zinnen, die hoofdstukken, haar de weg terug naar het leven zouden wijzen.

Het begon met een schrift. Geen bijzonder exemplaar, gewoon een lijntjesschrift van de HEMA, met een lichtblauwe kaft en een ezelsoor in de hoek. Maar daarin groeide iets. Flarden van zinnen, personages die zich aan haar opdrongen, werelden waarin ze zich vrij kon bewegen zonder schroom, zonder oordeel. Trees schreef alsof het haar leven was — of eigenlijk: alsof ze pas begon te leven als ze schreef.

Haar eerste verhaal ging over een meisje dat met haar schaduw leerde praten. Het tweede over een vrouw die haar huis volstouwde met vergeten woorden. Ze las ze niet hardop voor, ze bewaarde ze. Onder haar matras, in een doos achterin haar kast. Tot ze op een druilerige middag, bij de bibliotheek waar ze als vrijwilliger werkte, haar moed bij elkaar raapte en een fragment anoniem instuurde naar een lokale schrijfwedstrijd.

Ze won. Niemand wist wie de schrijver was. Ze verscheen niet op het podium, had geen interview. Slechts een kort bedankwoordje werd per e-mail verstuurd, onder een schuilnaam: Anna Blau. Die naam bleef. Anna Blau zou vanaf dan spreken namens Trees van Balen — een naam die in stilte geknakt was, maar op papier vleugels kreeg.

De verhalen van Anna Blau verschenen in bundels, eerst regionaal, toen in landelijke uitgaven. Haar eerste boek kreeg een lovende recensie in de Volkskrant, haar tweede werd opgenomen in de top tien van beste debuten van het jaar. Maar Trees bleef stil. Haar buren lazen haar boeken zonder het te weten. Zelfs haar zus wist niet wat er zich in die blauwe schriften had afgespeeld.

Overdag werkte ze. Eerst een jaar op een administratiekantoor, waar de koffie bitter was en de gesprekken nog bitterder. Ze hield het vol, maar niet van harte. Het opgelegde tempo, het ontbreken van ruimte voor nuance, het voortdurende gemopper — Trees raakte er niet kwijt wie ze was, maar vond er ook niet wie ze wilde zijn.

Toen de vacature kwam bij de plaatselijke bibliotheek, aarzelde ze geen seconde. Eindelijk, dacht ze. Een plek waar boeken niet slechts voorwerpen waren, maar deuren. Ze was er op haar plek. Wist precies welk boek een klant nodig had, nog voor die het zelf wist. Kon eenzaamheid herkennen in de keuze voor gedichten. Troost aanwijzen in een vergeeld romannetje.

Jarenlang werkte ze daar, in stilte, met kleine gebaren. Ze herinnerde zich verjaardagen van klanten, legde voor een vaste bezoeker altijd een tijdschrift apart. Ze was de bomen tussen het bos van regeltjes en computers. Geen grote woorden, geen dikke schreeuwletters, maar de zachte hand op je schouder als je net wilde omkijken.

Tot op een dag het bericht kwam: bezuinigingen. Haar functie werd wegbezuinigd. “Noodgedwongen herstructureren,” noemden ze het. Trees stond buiten. Zonder werk, zonder afscheid. De deur van de bibliotheek ging voor haar dicht, alsof een hoofdstuk bruut werd afgebroken.

Ze trok zich terug, kort, maar niet zoals vroeger. Ze huilde, ja. Ze voelde zich verraden. Maar de vrouw die ze geworden was, de schrijfster in de schaduw, wist: dit is niet het eind.

En toen kwam die brief. Een ambtenaar van de gemeente, met een voorstel. Of beter: een vraag namens de burgemeester. Of Trees beschikbaar was voor iets nieuws. Iets anders. Iets kleins misschien, maar met betekenis. Een plek waar mensen én spullen opnieuw konden beginnen. Een kringloopwinkel — maar dan een met een hart.

De eerste keer dat ze de ruimte zag, dacht Trees: dit wordt niks. De muren waren kaal, de geur was muf en de vloer kraakte als een oude rug. De voormalige fietsenwinkel stond al maanden leeg en had die typische sfeer van vergeten plannen. Maar de burgemeester keek haar aan met dat halve glimlachje — alsof ze allang wist dat Trees ja zou zeggen.

“Je hoeft geen winkelier te worden,” zei ze. “Je hoeft alleen maar… jezelf te zijn. Zoals je in de bieb was. Alleen dan met tweedehands spullen.”

Trees zweeg. Ze vond het moeilijk, dat vertrouwen dat mensen ineens in haar staken. Ze had het jarenlang zelf moeten bouwen, steentje voor steentje, in het geheim, onder een andere naam. Maar iets in haar zei: dit is anders. Hier mag ik zichtbaar worden, zonder dat ik bloot hoef te liggen.

En dus begon ze. Eerst klein. Ze haalde het stof van de planken, plakte handgeschreven bordjes op dozen: Boeken 50 cent, Theekopjes per stuk, Gratis advies bij twijfel. In de eerste weken kwam er bijna niemand. Af en toe een buurvrouw, een verdwaalde wandelaar. Maar Trees hield vol. Iedere dag stond ze er, stipt om negen uur. Met een thermoskan thee en een boek op de toonbank.

Op een donderdagmiddag stapte Jannus binnen. Een lange man, wat scheef van postuur, een winterjas in april. Hij keek rond alsof hij iets kwijt was. Zijn eerste woorden waren: “Is het hier echt allemaal te koop of mag ik gewoon even zitten?”

Trees wees naar een versleten fauteuiltje. “Zitten is gratis. Voor koffie moet je een verhaal vertellen.”
Hij lachte. Een zachte lach, vol melancholie. “Dan krijg je een roman van me.”

Vanaf die dag kwam hij bijna dagelijks. Eerst als klant, toen als vrijwilliger. Hij schroefde een kapotte stoel vast, timmerde een plank tegen een lekkende muur. Maar belangrijker: hij begreep Trees. Zonder veel woorden. Zijn stilte was van hetzelfde hout als de hare.

Langzaam groeide de winkel. Mensen kwamen terug, eerst voor de spullen, later voor de sfeer. De Lege Knip werd een toevluchtsoord voor wie iets zocht — en soms niet wist wát. Een mevrouw uit de flat kwam wekelijks haar verdriet ruilen voor een kopje thee. Een jonge vader vond er kinderkleertjes én een luisterend oor. Trees luisterde. Vroeg weinig, onthield veel.

De muren vulden zich met boeken, schilderijtjes, ingelijste gedichten. Jannus maakte een bordje voor bij de ingang: Hier krijgt alles een tweede kans – ook jij. Het stond scheef, maar precies goed.

Soms dacht Trees aan de bibliotheek, aan wat ze kwijtgeraakt was. Maar dan keek ze rond in de winkel, naar de mensen, de kleine gebaren, het zachte geroezemoes tussen de rekken. En dan wist ze: dit is van mij. Niet op papier, niet onder pseudoniem — maar in het volle daglicht. Een plek die ademde wie zij was.

De burgemeester kwam af en toe langs, nooit officieel. Gewoon, voor een praatje. Dan liep ze met haar handen op haar rug tussen de boeken en fluisterde: “Uiteindelijk win je altijd met zachtheid.” Trees knikte. Dat was haar overtuiging, en nu haar praktijk.

De Lege Knip was geen winkel. Het was een verhaal in hoofdstukken. Iedere bezoeker schreef een alinea. En Trees? Trees was de stille redacteur. Ze schoof bij, gaf ruimte, streepte soms een verdrietig zinnetje door — maar nooit iemand zelf.

De Lege Knip had intussen een eigen geur gekregen. Een mengeling van oude boeken, versgebakken cake en iets wat je het best kon omschrijven als “menselijkheid”. Trees merkte het aan de mensen die binnenkwamen — ze begonnen al te glimlachen bij het opendoen van de deur.

Het begon op te vallen dat de klanten niet alleen voor spullen kwamen. Ze kwamen om even adem te halen. Voor een stoel, een mok met een barst, een boek waarvan de kaft losliet — en vooral: voor een woord, een blik, een knikje van Trees of Jannus.

Trees had de winkel ingericht als een huis. Geen vaste indeling, maar hoekjes waar je wilde blijven hangen. De leeshoek, met twee fauteuils en een kleedje. Het koffietafeltje waar mensen hun eigen kopjes achterlieten — met naamsticker, als een soort stil bewijs dat ze hier hoorden. De wand met foto’s, ansichtkaarten, tekeningen van kinderen. Alles bijeengeraapt, maar met zorg gekozen.

De mensen die ooit boeken bij haar kwamen lenen, vonden haar weer terug. “Ik weet niet waarom ik hierheen liep,” zei een vrouw die ooit wekelijks bij haar in de bieb kwam. “Maar ik zag het raam, en ik wist: daar is ze.”
Trees knikte alleen. Soms was een terugkeer meer dan genoeg gezegd.

Er kwamen nieuwe gezichten ook. Mensen die de bodem van hun leven al eens geraakt hadden. Een man met een burn-out die nog steeds schrok van de deurbel. Een jonge vrouw die haar spullen verkocht om aan het eind van de maand rond te komen. Een oudere heer die iedere woensdag een oude schemerlamp kwam rechtzetten en dan bleef praten over zijn overleden vrouw, alsof zij hem vroeg de Lege Knip netjes te houden.

Trees luisterde. Ze gaf geen oplossingen, maar ruimte. En dat was soms precies wat nodig was.

Jannus had inmiddels de administratie op zich genomen. Dat ging op zijn manier: bonnetjes in een sigarendoos, een kasboek met vlekken van koffiedrab, en een pot met deksel waarop stond: “Meehelpen? Graag. Meepraten? Altijd. Meezeuren? Liever niet.”

Wat begon als een kringloop werd een verzamelplek voor verhalen. Trees hield ze niet bij in een schrift, maar ze droegen zich vanzelf in haar geheugen. Ze leefde met ze mee, in stilte. En ’s nachts, als alles zweeg, schreef ze. Soms tot diep in de nacht. Niet voor roem. Niet voor geld. Maar om die mensen stem te geven die nergens op de voorkant van een boek zouden staan.

In een oud notitieboekje bewaarde ze fragmenten. Zinnen van klanten. Een stukje van een gesprek. “Ik hoef niets, maar ik wil ergens zijn.” Of: “Ze zeggen dat ik te veel praat, maar jij luistert gewoon.” En daaronder schreef ze dan haar eigen aantekening: Dit is een hoofdstuk. Hij weet het alleen nog niet.

In het weekend kwam er zelfs een muzikant spelen op een afgedankte piano. Niemand wist wie hij was — hij kwam, speelde, knikte en vertrok weer. Zijn muziek vulde de ruimte als adem. Trees zei later: “Sommige mensen hoeven hun verhaal niet te vertellen. Ze spelen het.”

En zo werd de Lege Knip een thuis voor meer dan spullen. Een plek waar mensen hun verleden niet hoefden te verstoppen en hun toekomst voorzichtig weer durfden aan te raken.
Een plek waar Trees voor het eerst in haar leven iets opzette in haar eigen naam, al stond die nog steeds nergens op de ruit.

Maar dat zou veranderen. Heel binnenkort.

Het was 14 april, al had niemand het er hardop over. De meeste mensen wisten niet eens dat Trees van Balen vandaag jarig was. En zijzelf deed er al jaren niets meer aan. Althans, dat zei ze. Maar Jannus, die haar inmiddels door en door kende, geloofde dat maar half. Daarom stond hij die ochtend vroeg in de Lege Knip, met een bos ballonnen onder zijn arm, twee dozen slingers onder zijn jas en een plan in zijn hoofd.

Terwijl Trees nog thuis was, verzamelden de vrijwilligers zich in de winkel. Tafels werden verschoven, vlaggetjes opgehangen, kartonnen borden met ‘Lang zal ze leven!’ en ‘Voor onze Trees!’ verschenen aan de wanden. Iemand had taart gebakken — drie zelfs. De etalagepop kreeg een feestmuts, en boven het boekenrek hing een spandoek: “Bedankt Trees – voor alles.”

De burgemeester had zich stiekem vrijgemaakt. Ze was onder de indruk geraakt van Trees’ inzet de afgelopen jaren. Niet alleen vanwege haar werk in de kringloop, maar ook om haar verleden in de bibliotheek, haar luisterend oor en haar geduldige aanwezigheid in een wereld die vaak over mensen heen walst.

Rond elf uur kwam Trees binnen. Ze had een zakje met oude kinderboeken bij zich — een donatie van een oud-klantje. Ze liep nietsvermoedend naar binnen, tot ze plots stil bleef staan. De kleuren, de mensen, de ballonnen. En toen begon iedereen te zingen. Trees bloosde.

“Wat is dit?” fluisterde ze.

“Een klein groot dankjewel,” zei Jannus. “En je verjaardag. Of dacht je dat we dat niet wisten?”

Trees lachte verlegen, maar haar ogen glinsterden. Ze werd naar een stoel geleid, midden in de ruimte, tussen stapels boeken, theekopjes, tweedehands servies en houten kratten vol herinneringen.

Toespraak van een oude vrouwtje (Ze schuifelt langzaam naar voren. Iemand geeft haar een arm, maar ze bedankt vriendelijk en zet door. Ze staat een beetje scheef, haar jas nog half aan, een papieren servetje in haar hand. Haar stem trilt een beetje, maar haar blik is vast. De winkel is stil.)

“Mag ik ook wat zeggen?

Ik ben niet goed in toespraken hoor. En schrijven doe ik ook al jaren niet meer, laat staan hardop voorlezen. Maar ik wilde toch… even wat zeggen.

Ik kom hier al… hoe lang? Jaren, denk ik. Eerst voor een bloempot, toen voor een kopje. Later voor een gesprekje. En toen wist ik: ik blijf hier maar gewoon komen. Want het is hier anders. Het is hier… warm.

En dat komt door Trees.

Trees kijkt je aan alsof ze weet waar je mee zit. Zonder dat je wat hoeft te zeggen. Ze zegt niet veel, maar wat ze zegt, blijft hangen. Zoals die keer dat ik hier huilend stond omdat ze m’n huur omhoog hadden gegooid. Ze legde gewoon haar hand op mijn arm en zei: ‘Zullen we even koffie drinken, met iets lekkers erbij?’

Dat was het. Geen advies. Geen oordeel. Alleen maar dat.

En ik wil u iets opbiechten.

Ik kocht hier ooit een boek. Een roman. Zat gewoon tussen de anderen, op die plank naast de kassa. En ik las het thuis in één adem uit. Het ging over een vrouw die zich had teruggetrokken van de wereld. Die mensen niet meer durfde te vertrouwen. Maar die langzaam, héél langzaam, weer openbrak. Door mensen. Door verhalen. Door vriendelijkheid.

Ik weet nog dat ik dacht: dit… dit is Trees.

Ik weet nu dat zij het écht geschreven heeft. Dat hoorde ik laatst van Jannus. En ik dacht: ja natuurlijk. Wie anders?

Trees, lieverd… Ik wil alleen maar zeggen: jij hebt mij, en heel veel anderen, gered. Misschien niet met grote woorden of therapieën, maar gewoon… met jezelf. Met een blik. Een stilte. Een boek.

En vandaag ben je jarig.

En weet je? Dat is voor ons een cadeautje.

Dank je wel, meisje. Dank je wel dat jij er bent.”

(Ze buigt haar hoofd even, klapt zachtjes in haar handen. Een paar mensen pinken een traan weg. Trees stapt naar haar toe en slaat een arm om haar heen. Het applaus zwelt langzaam aan.)

De tweede toespraak kwam van een oude vrouw die ooit een blouse bij Trees had mogen uitzoeken. Ze vertelde over hoe Trees haar had laten passen in het kantoortje, hoe ze daarna nog thee had meegekregen en hoe ze die dag weer een beetje mens was geworden.

“Trees heeft een gave,” zei ze. “Ze geeft niets weg, ze schenkt. En dat blijft langer bij je.”

Toespraak van Jannus

(Jannus staat op. Zijn hand beeft een beetje. Hij tikt tegen een glas, kijkt even naar Trees en haalt diep adem. De winkel is stil. De ballonnen hangen licht te deinen aan het plafond. De geur van taart en oude boeken vult de ruimte.)

“Lieve mensen,

Vandaag is geen gewone dag. Dat voel je al als je binnenkomt. De koffie ruikt net iets rijker, de bloemen staan net iets rechter, en zelfs de zilvervisjes — voor zover ze er nog zijn — hebben zich vandaag een beetje gedeisd gehouden.

We zijn hier voor iemand die liever niet in de schijnwerpers staat. Iemand die nog eerder een stoel voor een ander klaarzet dan er zelf op gaat zitten. Iemand die luistert, terwijl de rest praat. Die helpt zonder dat je hoeft te vragen, en glimlacht terwijl ze je stil laat.

We zijn hier voor Trees.

Ik ga u iets vertellen wat velen van u misschien niet weten, en dat komt omdat Trees er zelf nooit veel woorden aan vuil maakt. Maar achter deze vrouw — die u kent van de kringloop, van het vriendelijke ‘dag’, van het kopje koffie op het juiste moment — zit een verhaal dat zwaarder weegt dan menig tweedehands boek hier op de plank.

Trees groeide op in stilte. Ze werd niet gezien zoals kinderen gezien zouden moeten worden. Gepest, genegeerd, en toch bleef ze staan. Niet met grote gebaren of woede, maar met doorzettingsvermogen. Ze vocht — niet met vuisten, maar met boeken. Met kennis. Met hoop.

Later verloor ze meer dan wij kunnen vermoeden. Liefdes die vervlogen, vertrouwen dat beschaamd werd, kansen die haar net ontglipten. Maar elke keer krabbelde ze op. Niet om te schitteren, maar om verder te gaan.

En toen, op een dag, begon ze te schrijven. Verhalen. Boeken. Onder een andere naam. Boeken die in boekhandels liggen — ook nu nog — maar niemand wist dat zíj het was. Trees van Balen. Onze Trees.

Ze schreef zich vrij. En wij… wij kochten haar boeken misschien zonder te weten dat we in haar ziel aan het lezen waren.

En toen kwam De Lege Knip.

Een plek die niet zomaar een winkel werd. Het werd een thuis. Niet alleen door de meubels en de mokken, maar door de mensen. Door Trees. Door haar blik, haar aandacht, haar wijsheid die altijd zacht wordt uitgesproken maar altijd raak is.

Ik heb haar hier zien bloeien. Ik heb haar hier zien helen. En ik heb gezien hoe ze dat ook deed met anderen. Met mij.

Want ja, ook ik — ik, die hier ooit kwam als klant, als man zonder plan, met meer schaamte dan moed — ook ik kreeg een plek. Niet omdat ik iets kocht, maar omdat Trees me zag. En me niet liet verdwijnen.

Vandaag vieren we haar verjaardag, maar eigenlijk vieren we iets veel groters.

We vieren dat er mensen bestaan die niet schreeuwen om aandacht, maar die juist de stilte vullen met betekenis. Die geen prijs op hun hoofd willen, maar een stoel vrijhouden voor een ander.

Trees, jij hebt met De Lege Knip iets gebouwd dat je misschien zelf nog niet helemaal ziet. Maar wij wel.

Jij gaf deze plek een ziel.

En dat vieren we vandaag.

Gelukkige verjaardag, Trees. Je tweede naam mag dan geheim zijn, maar je eerste naam — die dragen wij voort. In ons hart.”

(Lang applaus. Trees slaat haar handen voor haar gezicht. Even maar. Dan lacht ze — die stille, stralende lach die iedereen in de ruimte herkent.)

Toespraak burgemeester

“Beste aanwezigen, lieve mensen van de Lege Knip,

Wat een feestelijke dag vandaag! Het is niet elke dag dat we iemand mogen eren die zo’n bijzondere plek heeft opgebouwd. Een plek die niet alleen draait om meubels of boeken, om curiosa of kleding, maar om mensen. En dat, lieve Trees, is jouw verdienste.

Vandaag vieren we jouw verjaardag, en dat is al reden genoeg voor slingers, taart en ballonnen. Maar we vieren nog iets veel groters: we vieren jouw levenswerk, jouw kracht, jouw moed. Want jij, Trees van Balen, hebt laten zien dat je uit de diepste dalen kunt opstaan. Dat verdriet, verlies, teleurstellingen – hoe zwaar ook – niet het laatste woord hoeven te hebben.

Je hebt de wereld iets teruggegeven, Trees. Je hebt boeken geschreven, onder een naam die velen misschien niet kennen, maar die vele harten heeft geraakt. En toen de kans zich voordeed om de Lege Knip nieuw leven in te blazen, stond jij op. Niet omdat je moest, maar omdat je voelde dat het kon. En wát heb je het gedaan.

Je hebt hier een thuis gecreëerd, voor wie niets heeft, of even niet weet waar te beginnen. Voor mensen met verhalen, met verdriet, met hoop. Jij en Jannus vormen een ankerpunt in deze gemeenschap. En dat is meer waard dan wie dan ook kan uitdrukken in geld of cijfers.

De burgemeester sprak verder. Ze had een klein boekje bij zich, zonder naam op de kaft. Ze sloeg het open en las een stukje voor:

“…en toen de avond viel, besefte ze dat ze niet meer bang was voor de stilte. Want in de stilte hoorde ze eindelijk zichzelf.”

“Dit,” zei de burgemeester, “komt uit een boek waarvan niemand weet wie het schreef. Maar ik weet het wel. Trees, jij gaf ons woorden op papier lang voordat je ze hardop durfde uit te spreken. En daarom vieren we jou. Niet alleen vandaag. Maar elke dag dat je hier bent.”

Lieve Trees, namens de gemeente, namens ons allen: dank je wel. Voor wie je bent. Voor wat je doet. En vooral, voor wat je betekent.

Ik hoop dat je vandaag even stil durft te staan bij wat je hebt opgebouwd. En dat je geniet. Want dit feest – deze dag – is voor jou.

Van harte gefeliciteerd!”

Er viel een stilte. Toen klonk er applaus. Trees stond op, licht wankel, en knikte langzaam.

“Ik heb me lang verstopt,” zei ze zacht. “Achter boeken, achter anderen, achter mezelf. Maar vandaag zie ik dat het oké is om gezien te worden. Dank jullie wel. Echt.”

De rest van de middag werd er gegeten, gepraat, gedeeld. Er kwamen herinneringen los, foto’s tevoorschijn, en zelfs een oud bibliotheekkaartje van een meisje dat nu vrijwilliger was bij de Lege Knip.

En tussen de taart, de thee en de tweedehands kopjes stond een vrouw in het middelpunt die eindelijk haar plek had gevonden. Of beter gezegd: had opgebouwd.

Trees van Balen. Bekend van nergens. Geliefd door velen. En met een tweede naam die niemand kende — behalve zijzelf.


Ontdek meer van Mijn korte verhalen

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Reactie op “No 24. 14 april – Het geheim van Trees en de Lege Knip”

  1. Rob Alberts Avatar

    Hartverwarmend

    Stille groet

    Geliked door 1 persoon

Geef een reactie op Rob Alberts Reactie annuleren

Ontdek meer van Mijn korte verhalen

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder