
Op een donderdagochtend, toen de regen zacht tikte op de ruiten van de Lege Knip, stond er een vrouw in lange, donkere mantel in de deuropening. Haar handen trilden iets toen ze het zware leren koffertje op de toonbank zette. Trees keek op vanachter de kassa en glimlachte vriendelijk.
“Kan ik u ergens mee helpen?”
De vrouw knikte langzaam. “Ik ben Justina. Zuster Justina. Of eigenlijk: dat ben ik geweest. Nu ben ik gewoon… een oude vrouw met een lastige rug en een bibliotheek waar ik niet meer voor kan zorgen.”
Trees trok een stoel bij. “Kom zitten. Vertel me maar rustig.”
Zuster Justina ging zitten alsof ze dat al jaren niet meer had gedaan — niet echt tenminste. Ze keek om zich heen, naar de boeken, de lampjes, het verweerde houten rek met opschrift ‘TAAL & TIJD’.
“Het doet me denken aan vroeger,” zei ze zacht. “Aan het klooster. Ik was achttien, net van de kostschool, en ik ben vrijwel meteen ingetreden. Een aantal jaren later legde ik mijn Plechtige professie af. Daarna werd ik als jonge zuster uitgezonden naar Belgisch-Congo. Ik heb daar ruim dertig jaar op verschillende plekken gewerkt. Tot we moesten vluchten, vanwege alle onrust en de gruwelijkheden die daar plaatsvonden.”
Ze zweeg even. Haar ogen staarden in de verte.
“Achteraf vraag ik me weleens af waarom ik eigenlijk zuster ben geworden. Ik weet het niet meer precies. Misschien wilde ik niet terug naar huis. Thuis moest ik helpen in de bakkerij van mijn vader. Misschien was het een roeping. Of misschien gewoon een manier om te ontsnappen.
Ik heb me vaak afgevraagd: was ik niet te jong? Hadden ze me toen niet tegen moeten houden? Wat wist ik nou van het leven buiten het klooster?
Maar als je eenmaal in dat ritme zit, en je kent de andere kant niet, dan verander je ook niet zomaar.
Toch… nu ik ouder ben, en een glimp opvang van hoe het leven buiten die muren is, voel ik steeds vaker de twijfel. Steeds een beetje meer.”
Haar ogen dwaalden af, en Trees wachtte, zonder te onderbreken.
“In Congo,” vervolgde ze zacht, “was ik bibliothecaresse en onderwijzer. Er was een klein klooster, met een lagere school erbij. De kinderen kwamen op blote voeten, soms met maar één schrift voor het hele gezin. Maar ze lazen. O, ze lazen. Ik leerde hen de letters van de Bijbel, maar het waren de Afrikaanse fabels die ze het beste onthielden. Een slang die zijn huid aflegt. Een jakhals die liegt om te overleven. Ze begrepen het allemaal. En ik ook.”
Ze keek Trees nu recht aan. “Boeken hebben daar meer betekend dan gebeden. Ze gaven een stem aan wie geen stem had.”
Trees slikte.
“De afgelopen jaren heb ik de kloosterbibliotheek beheerd. Maar we zijn nog met negen. Van de tweehonderd zusters zijn er nog geen tien over. En velen zijn… verdwaald in hun hoofd. Ik zorg voor hen. Maar het wordt te zwaar. De boeken? Die stof ik af, maar ik lees ze niet meer. En dat breekt me misschien nog het meest.”
Ze schoof het koffertje open. Vol met titels in vergeelde omslagen. Bijbels in het Lingala. Franse kinderverhalen. En een dik boek, geschreven in een handschrift dat haast verdwenen was.
“Alsjeblieft,” zei ze. “Neem het over. Geef ze een plek waar iemand ze nog leest. Of ruikt. Of gewoon vasthoudt. Want papier leeft pas als je het aanraakt.”
Trees legde haar hand op die van Justina. “Ze zijn welkom. En jij ook.”
Die middag richtte Jannus samen met Trees een kleine hoek in. Een bordje: Bibliotheek van Zuster Justina – Lezingen uit het Zuiden. Justina bleef zitten. Ze bladerde. Ze glimlachte. En voor het eerst sinds lange tijd was ze niet degene die zorgde — maar degene voor wie gezorgd werd.

Geef een reactie op meninggever Reactie annuleren