
Het stormde ongekend hard buiten. Windkracht zeven, misschien acht. Regen sloeg als hagelkogels tegen de ramen van De Lege Knip, alsof een wolkengeweer op volle kracht stond te vuren.
“Het lijkt wel alsof ze met hagel schieten,” mompelde Jannus op die vroege julimorgen, terwijl hij naar buiten tuurde. Zijn stem klonk zacht, maar droeg de toon van een oude herinnering.
De straat was bijna leeg. Alleen een paar auto’s gleden behoedzaam voorbij, hun ruitenwissers op standje paniek.
“Als je ooit gereden hebt in zo’n bui,” bromde Jannus, “dan weet je hoe het voelt. Het is alsof je door een autowasstraat rijdt, met extra bliksem als bonus.”
Trees keek op van haar etikettenrol. “Ik vind er weinig aan, dit weer. Er komt geen kop in de Knip.” Ze legde de rol neer. “Als er toch niemand komt, kunnen we wel een spelletje Mens Erger Je Niet doen.”
Jannus veerde op, bijna theatraal. “Nee, Trees! Dat is géén spel voor jou. Ik waardeer je te veel om iets te spelen waar ‘ergernis’ al in de titel zit. Wie dat spel ooit verzonnen heeft, moet een rasplaaggeest zijn geweest.”
Trees trok haar wenkbrauw op. “Zo erg?”
“En bovendien,” vervolgde Jannus, “ik ben nooit een spelletjesman geweest. Na de lagere school heb ik er rigoureus mee gebroken. Studeren paste niet bij dobbelen of strategisch pionduwen.”
Maar toen veranderde zijn blik. Er kwam iets ondeugends in.
“Behalve toen meisjes ineens interessant werden… toen heb ik wél een tijdje spelletjes gespeeld.”
Trees keek hem aan met een mengeling van nieuwsgierigheid en mild sarcasme. “O ja? Wat voor spelletjes speelde jij dan met de meisjes?”
Jannus leunde achterover, vouwde zijn handen losjes en glimlachte geheimzinnig. “Nou… niet Mens Erger Je Niet, dat kan ik je verzekeren. Meer zoiets als ‘Wie heeft het mooiste boekenleggergedicht’, of ‘Wie durft een briefje achter te laten in het woordenboek’. En soms, als het spannend werd… werd er gefluisterd tussen de kaften van de encyclopedie.”
Trees lachte zacht. “Dus jij speelde de poëtische variant van stiekeme briefjes onder tafel.”
“Precies. Geen pionnen, maar woorden. Veel gevaarlijker.”
Ze keek hem indringend aan, met dat kenmerkende, schuin opgetrokken wenkbrauwtje.
“Maar Jannus… ik verdenk je ervan dat je niet het échte verhaal vertelt. Daar zit meer achter.”
Hij nam een slok thee, zette zijn kop langzaam neer en zweeg iets langer dan normaal.
“Trees…” zei hij tenslotte, met een blik alsof hij net betrapt was op het onderstrepen van zijn eigen geheimen. “Niet alles wat ik speelde was onschuldig. Er was… een tijd.”
Ze zweeg, luisterde.
“In de zomervakantie deed ik eens mee aan het jaarlijkse bibliotheekschaaktoernooi. Officieel. Met scorebord, publiek. En er was één meisje — Veerle — die bij elke zet een boek uit haar tas haalde en fluisterde: ‘Deze past bij jouw strategie.’ Ik verloor elke partij, maar won haar aandacht.”
Trees grijnsde. “Dat klinkt niet als ‘Wie heeft het mooiste gedicht’. Dat klinkt als literair flirten met openingszetten.”
Jannus knikte. “En uiteindelijk… gaf ze me haar lievelingsboek, met een potloodaantekening bij hoofdstuk 17.”
“En?” vroeg Trees. “Wat stond erbij?”
“Let op deze alinea. Zo lees ik jou.”
Trees zweeg een moment, geraakt. “Oké Jannus. Je bent officieel verdacht — van diepgang.”
Ze liep naar een oude kast, trok een vergeeld gezelschapsspel eruit. “Maar ik verdenk je er nog steeds van dat je niet het hele verhaal vertelt.”
Hij glimlachte voorzichtig. “Je bedoelt dat ik iets verzwijg?”
“Meer dat je vroeger niet alleen met boeken speelde…”
Jannus keek naar buiten, naar de regen die tegen het raam danste als geheimschrift.
“Okee,” zei hij uiteindelijk. “Je hebt gelijk. De spelletjes die ik met meisjes speelde — daar leerde ik dat lezen niet altijd met papier te maken heeft. Sommige mensen, Trees… zijn hoofdstukken op zichzelf.”
Ze zei niets. Hij vervolgde:
“Wat me bijbleef, was niet het winnen. Het was die ene blik te lang, een stilte na het verliezen, een hand die net iets langer rustte bij het aanreiken van een boek. Ik ontdekte dat gevoelens niet in regels zitten, maar in wat je juist niet uitspreekt.”
Trees knikte langzaam. “Dus eigenlijk studeerde jij al psychologie vóórdat je wist dat het een vak was.”
“Meer intuïtie,” glimlachte hij. “Ik leerde dat een glimlach niet altijd opluchting is. En dat sommige pionnen — mensen — voorzichtig verplaatst moeten worden. Niet over het bord, maar door hun beleving.”
“En toch ben je weer teruggekeerd naar boeken.”
“Natuurlijk. Maar door die momenten… begrijp ik de personages beter. Emoties lees je niet. Die hoor je tussen de zinnen.”
Trees liet een stilte vallen. Toen, met een ondeugende twinkeling:
“Maar Jannus… je zult toch wel eens een meisje aangeraakt of lichtelijk betast hebben? Anders had je beter het klooster in kunnen gaan.”
Hij zette zijn bril af, vouwde zijn handen alsof hij zich voorbereidde op een lezing. “Trees… ik ben een boekenman. Mijn aanrakingen waren altijd voorzichtig. Hooguit een dichtbundel aanreiken… of een klassieker iets te lang vasthouden tot iemand mijn vingers raakte.”
“Dus géén hartstocht onder de poëziekast?”
“Nou…” Jannus grijnsde. “Ik heb ooit hand in hand een boek gelezen. Eén exemplaar, twee lezers, pagina’s omdraaien op ritme. En ja — onze pinken raakten elkaar bij hoofdstuk vier.”
Trees kuchte geamuseerd. “En dat noem jij ervaring buiten het klooster?”
“Dat noem ik: wonderlijk lezen. Sommige aanrakingen zitten in blikken, in pauzes tussen woorden, in het kiezen van precies het juiste gedicht. Geen klooster kan daartegenop.”
Ze zweeg, keek dan plots weer op. “Maar Jannus… ik neem geen genoegen met jouw gedichtenversies van intimiteit. Heb jij ooit lichamelijke gevoelens gehad? Niet tussen de regels — gewoon, rauw, menselijk?”
Jannus zweeg. Niet omdat hij het niet wist, maar omdat hij voor het eerst een bladzijde moest omslaan die hij zelf had dichtgelaten.
“Ja,” zei hij dan. “Meerdere keren zelfs. Maar ik heb het altijd bedekt — met boeken, met zinnen, met theorie. Omdat ik niet wist hoe ik het kon toelaten zonder dat het me overspoelde.”
Trees knikte langzaam. “Dus je bent nooit het klooster ingegaan… maar je hebt wel heel lang in de leeszaal gewoond.”
“Precies. Ik dacht: zolang ik erover lees, hoef ik het niet te voelen. Maar echte nabijheid… laat zich niet afdrukken.”
Hij keek haar nu aan, helder en zonder omwegen.
“Ik heb verlangd, Trees. Naar iemand die mijn bril af durfde te zetten zonder daar een grap van te maken. Naar een aanraking die niet in een sonnet paste. Maar ik wist niet hoe.”
“Dat is genoeg,” zei Trees zacht. “Je hebt je billen bloot gedaan. En dat zonder stofomslag.”
De regen tikte nog altijd tegen het raam, maar zachter. Alsof zelfs de storm had geluisterd.
Binnen, in De Lege Knip, lag voor het eerst een hoofdstuk open waar nog geen letter van geschreven was — maar waarvan beiden wisten dat het begonnen was.
Plaats een reactie