
De ochtend begon zoals gewoonlijk: regen tikte ritmisch tegen het raam, de oploskoffie dampte flauwtjes, en Jannus zat onder het zachte gele bibliotheeklampje met zijn krant uitgespreid op de leestafel. Zijn ogen gleden over de koppen tot hij halverwege de tweede pagina plotseling stokte.
“Trees,” zei hij, terwijl hij de krant optilde alsof hij een ontdekking deed, “luister.”
Hij tikte op een artikel met een licht trillende vinger: “Wilma trekt met de taalfiets een wijk in Tilburg in.”
“De taalfiets?” vroeg Trees, haar mok vasthoudend alsof die elk moment zou fluisteren.
“Ja,” zei Jannus opgewonden, “een bakfiets! Maar niet gevuld met jam of flyers — met taal. Woorden, spelletjes, boekjes, een kleed. Wilma Holverda, die al meer dan vijftig jaar de bibliotheek ademt, fietst ermee door de stad. Ze stopt bij pleinen, parken, speeltuinen. En daar laat ze kinderen spelenderwijs met taal spelen.”
Trees lachte. “Dat klinkt als De Lege Knip op excursie.”
“En het mooiste,” ging Jannus verder, “ze doet het samen met Geert. Omdat ze zelf niet mag fietsen na haar operatie, rijdt hij en zorgt zij voor de magie. De kinderen lachen, leren, luisteren. Taal tussen stoeptegels en zonnestralen.”
Trees boog zich dichter naar hem toe. “Ik krijg zin om onze boekenkast op een skelter te monteren.”
Jannus keek dromerig naar buiten, waar de wind een krant tegen de gevel drukte. “Taal hoort niet altijd stil te zijn achter glas, Trees. Soms moet het rijden. Soms moet het tringelen op een bakfiets.”
Ze zwegen even — de gedachte liet zich niet meteen parkeren.
Toen zei Trees: “Zullen we een poster maken? Wilma – de rijdende boekenwurm van Tilburg. En misschien sturen we haar een groet. Een kaart met een zelfgeschreven zin.”
“En een boekenlegger erbij,” grijnsde Jannus. “Want zelfs de taalfiets heeft een bladzijde die gekoesterd wil worden.”
Trees legde haar pen neer en keek hem serieus aan. “Wat Wilma doet met die taalfiets… dat is prachtig. Maar wij — wij hebben De Knip.”
Jannus knikte langzaam. “We zouden kunnen uitbreiden.”
“Niet zomaar,” zei Trees. “Een experimentele tak. Buiten de muren. Een mobiele Knip. Leesplekken op onverwachte locaties. Een uitklapbare leestafel op het Spoorpark. Een romanhoek op het stationsperron. Taal waar mensen zijn.”
“En personeel?” vroeg Jannus.
“Charteren,” zei Trees beslist. “Ik denk aan die ex-docent van het ROC. En die stille jongen die altijd met zijn rugzak tussen de romans zit. Mensen met taal in hun bloed.”
Jannus schoof de krant naar haar toe. “Wilma werkt samen met het Taalhuis. Misschien kunnen wij dat ook. En als we een begin willen maken…”
“…dan gaan we naar de burgemeester,” vulde Trees aan. “Kijken wat er bestuurlijk mogelijk is. Als zij net zoveel van woorden houdt als wij…”
Stadhuis– later die middag
De regen deed nog mee terwijl Trees en Jannus de trappen van het stadhuis beklommen, aktetas in de hand. Daarin zat geen begroting, maar ideeën: een kleurige map, schetsen van een Knipkar, een poster met de tekst Taal hoort niet in dozen — het moet de straat op.
Burgemeester Jeltes heette hen welkom in haar werkkamer. Terwijl buiten de paraplu’s hun strijd leverden, ontvouwde zich binnen een ander soort beweging.
Trees begon: “We hebben een voorstel. Geen project in Excel — een plan met hartslag. De Knip, maar dan mobiel.”
Jannus nam het over: “Een uitbreiding geïnspireerd door Wilma’s taalfiets. Niet louter voor kinderen. Voor iedereen die woorden mist in z’n dag. Wij willen gaan waar taal vergeten is.”
De burgemeester bladerde door de schetsen: een boekentafel op wielen, een inklapbare leestuin, een routekaart vol pleinen met zinnen.
“En wat heeft u nodig?” vroeg ze.
“Ruimte om te beginnen,” zei Trees. “Een pilot. Hulp bij het verbinden met het Taalhuis. En misschien een plekje op het zomerfeest om te debuteren.”
Er viel een stilte.
Toen zei de burgemeester: “Ik heb gehoord van Wilma’s taalfiets — zo’n bakfiets vol taal, waarmee ze door de wijken van Tilburg trekt. Kinderen op een kleed, boekjes in de zon, spelenderwijs taal ontdekken. Als jullie daar een vervolg op kunnen maken, hier in ons dorp…”
Ze keek op.
“…dan zeg ik: ja. De Knip mag de straat op. En ik kom persoonlijk luisteren naar jullie eerste zinnen.”
En zo begon het. Niet met een fanfare, maar met een fluistering. De Lege Knip bewoog. Eén fiets was het begin. Een bibliotheek zonder muren. Een verhaal dat zich uitstrekte tot onder wolken en over pleinen.
En Jannus? Die schreef die avond de openingszin op een boekenlegger: Woorden bewegen — als je ze durft los te laten.
Geef een reactie op meninggever Reactie annuleren