
Het is midden juli. Zoals zo vaak in de hooimaand is het de ene dag regenachtig en de andere stralend mooi weer. Jannus zat achteraan aan de leestafel met zijn ogen dicht, terugdenkend aan vroeger — aan de zomervakanties die hij als kind doorbracht bij een oom op het platteland. Die had een boerderij met veel land. In juli werd er gehooid, nog met paard en wagen. Het was in de tijd van vóór de ruilverkaveling, toen de weilanden nog ver van de boerderij lagen. Om bij sommige hooilanden te komen, moesten de maaimachine, de trommelschudder, de hooiwagen én het paard met een praam over het water worden gezet.
Met gesloten ogen zag hij het allemaal weer voor zich.
Trees was ondertussen de inboedel aan het fatsoeneren. Hier en daar trok ze met een stofdoek over een kast of een vaas, zodat alles weer glom zoals het hoorde. Ze wierp een blik naar buiten en zag een helderblauwe lucht met van die prachtige witgrijze stapelwolken. Vreemd, dacht ze nog, gisteren regende het bijna de hele dag. Toen was het juist druk geweest, vooral met boekenwurmen die binnen kwamen schuilen en snuffelen. En nu… nu was het ineens zo rustig. Zouden veel mensen al met vakantie zijn? schoot er door haar hoofd.
De bel klonk. Er kwam iemand binnen.
Trees keek op. Een man stapte binnen en liep meteen recht op haar af.
‘Goeiemorgen meneer,’ zei Trees vriendelijk.
‘Goedemorgen, jonge dame,’ antwoordde de man opgewekt.
Trees schoot in de lach. ‘Nou nou, zo jong ben ik nu ook weer niet, hoor meneer. Of mag ik dan ook “jongeman” tegen ú zeggen?’
De man begon breeduit te lachen. ‘Touché! Sorry hoor, zo had ik het niet bedoeld.’
‘Maar,’ zei de man, ‘om maar meteen met de deur in huis te vallen: hebben jullie hier wel eens racefietsen?’
Trees keek op en trok een bedenkelijk gezicht.
‘Tja… toevallig hebben we het deze week nog over een leesfiets gehad, maar een racefiets? Nee, die heb ik hier nog nooit gezien.’
Jannus was langzaam uit zijn herinneringen ontwaakt. Zijn blik verschoof van de leestafel naar Trees, die in gesprek was met de onbekende man. Voor een praatje ben ik altijd wel te porren, dacht hij, en hij stond op om zich bij hen te voegen.
Trees zag hem aankomen en glimlachte. ‘Jannus, weet jij toevallig of wij hier ooit racefietsen hebben gehad in de Knip?’
Jannus keek even bedenkelijk, maar reageerde toen vrij stellig:
‘Naar mijn idee? Absoluut niet. Wel hebben we ooit een kinderfietsje gehad — met drie wielen nog wel — maar een echte racefiets? Nee, nooit gezien.’
De man grinnikte. ‘Tja, je weet maar nooit waar ze opduiken tegenwoordig.’
‘Maar u wilt toch niet met de Tour de France meefietsen?’ vroeg Jannus met een opgetrokken wenkbrauw.
Hij liet een korte stilte vallen en vervolgde met een grijns:
‘Die is deze weken al in volle gang, hoor. Ze zijn allang de Alpen over.’
De man schoot in de lach. ‘Nee hoor, zo sportief ben ik nou ook weer niet. Al moet ik zeggen: het lijkt me prachtig, zo’n tocht door de bergen. Maar ik zoek gewoon een racefiets om in Nederland een beetje mee te toeren. Een lichte, snelle fiets, niks bijzonders, tweedehands is prima. En ik dacht… wie weet duikt er hier nog eens eentje op.’
Trees knikte begrijpend. ‘Nou, als er eentje binnenkomt, dan houden we u op de hoogte. Of u moet zich even inschrijven op onze “zoeklijst”. Dan krijgt u vanzelf een seintje.’
‘Dat is een goed idee,’ zei de man. ‘En intussen kijk ik even rond. Je weet maar nooit wat je tegenkomt in zo’n mooie plek als deze.’
Jannus was net op weg naar het kantoortje toen er een herinnering bij hem opkwam. Een oude fietsenmaker — Bertus — die hij nog kende uit de tijd dat alles misging in zijn leven. Toen hij zonder woning zat, op straat sliep, en zijn dagen vulde met hopen en wachten. Bertus had hem destijds wel eens geholpen. Bertus van de Fiets, zo stond hij nog steeds in Jannus’ geheugen gegrift.
In het stoffige telefoonboek vond hij het nummer. Hij draaide.
‘Met Bertus van de Fiets.’
‘Met Jannus, van De Lege Knip.’
‘Jannus! Kijk aan. Dat is lang geleden, jongen! Hoe is het met je?’
‘Goed hoor. Luister, Bertus, er is hier net een man binnengewandeld die vroeg of wij wel eens een racefiets binnenkrijgen.’
‘Een racefiets?’ klonk het verbaasd aan de andere kant. ‘Wacht even… Jannus, ik heb hier nog een oude vintage staan. Ik weet niet precies hoe het zit, maar volgens het verhaal zou die ooit van De Locomotief zijn geweest.’
‘De Locomotief?’
‘Ja, Wim van Est, weet je wel. Of misschien was het een van zijn vijf broers, dat blijft onduidelijk. Maar het ding heeft karakter, zoveel is zeker.’
Jannus lachte. ‘Dat zou wel heel bijzonder zijn, Bertus. Wat moet zo’n oud vehikeltje dan kosten?’
Er viel even een korte stilte.
‘Weet je, Jannus,’ zei Bertus zacht, ‘als die man er nog is, kom ik gewoon naar jullie toe met die fiets. Geef hem een kop koffie of thee. Ik ben er met een kwartiertje. Voor jou doe ik dat met plezier.’
Jannus glimlachte en legde de hoorn neer. Daarna liep hij terug naar de winkelruimte, waar Trees nog met de klant stond te praten.
‘Trees,’ zei hij zacht, ‘zet hem even vast — met een kop koffie of thee. Over een kwartier kan er wel eens een oplossing komen.’
Trees keek hem onderzoekend aan, maar knikte. Ze liep op de klant af met haar kenmerkende mengeling van vrolijkheid en gezag.
‘Jongeman, mag ik u iets aanbieden? Een kopje koffie of thee misschien?’
De man glimlachte. ‘Ik was eigenlijk van plan om verder te gaan, maar als u het zo vriendelijk vraagt… dan blijf ik graag nog even.’
Hij nam plaats aan de leestafel en bladerde door een stapel tijdschriften. Trees bracht hem een kop koffie en even later viel zijn oog op een artikel over de Tour de France. Met groeiende interesse las hij over steile cols, waaiers, valpartijen en de heroïsche strijd in de bergen.
Zo verdiept was hij, dat hij niet eens merkte dat Jannus tegenover hem was komen staan.
‘Hebt u ook wel eens van die dromen waarin je weer jong bent en alles aankunt?’ vroeg Jannus zacht.
De man keek op.
‘Ik denk weleens,’ ging Jannus verder, ‘als ik nu achttien was en ik hield van fietsen… dan zou ik de bergen opzoeken. Niet in een wedstrijd, hoor — daar ben ik te ongeduldig voor. Mijn hoofd fietst sneller dan mijn benen kunnen volgen. Maar gewoon, om mezelf uit te dagen. Tot de top.’
De man keek hem lang aan.
‘Ik weet niet hoe het komt,’ zei hij, ‘maar… kunt u gedachten lezen?’
Jannus lachte.
‘Nee joh, ik ben geen waarzegger. Maar ik ben wél een dromer. En als ik een verhaal hoor — of lees — dan leef ik erin mee. Een uurtje geleden zat ik nog op een hooiwagen, met een paard voor me, in de zomerzon van vroeger.’
De man lachte nu ook. Hij keek naar het tijdschrift en zei: ‘Nu ik dit lees, weet ik zeker dat ik vannacht op een racefiets zit en de Col d’Aubisque beklim.’
Op dat moment ging de deur open. De winkelbel rinkelde schel.
Jannus keek op — en liep direct op Bertus af. Ze sloten elkaar in een ouderwetse omhelzing.
Bertus had zich uitgedost in volle wielrenuitrusting, compleet met leren vintage helmpje, strakke trui en glimmende schoenen. Hij zag eruit alsof hij zó mee kon met de veteranenronde.
‘Kom op,’ zei Jannus met een brede grijns, ‘laten we die jongeman eens verrassen. Maar jij handelt het af hoor — ik geef nergens garantie op!’
Bertus knikte en nam de racefiets ter hand. Het chroom blonk als nieuw.
De jongeman had inmiddels wel gezien dat er iemand in fietskleding was binnengekomen, en dat de twee mannen elkaar kenden, maar hij had geen idee wat er speelde.
Bertus liep recht op hem af, zette de fiets naast zich en sprak luid:
‘En waar zit de nieuwe winnaar van de komende Tour de France?’
De man keek verbaasd op.
Bertus reikte hem de hand. ‘Bertus. Van de Fiets.’
‘Wim van…’ zei de man, maar de rest verstond Bertus niet goed. Hij keek hem indringend aan.
‘Wacht eens even… de Wim van Est? Toch niet… een nazaat?’
Wim keek hem met grote ogen aan. ‘Ik weet niet waar u het over hebt. Van wie zou ik een nazaat moeten zijn?’
Wim stond met beide handen op het stuur van de racefiets. Zijn vingers gleden over het leer van de handvatten, als betrof het een relikwie. Hij was even stil, zijn blik gefixeerd op een klein krasje in het frame — alsof daar de sleutel lag tot iets lang vergeten.
‘Weet u… mijn vader had ook zo’n fiets,’ zei hij zacht. ‘Ik heb hem nooit gekend. Hij is verongelukt, lang voor ik mijn eerste fiets had. Maar mijn moeder vertelde wel over hem. Dat hij leefde voor de koers. Dat hij altijd zei: “Fietsen is vluchten vooruit.”’
Jannus zweeg. Ook Trees was dichterbij komen staan, doek in de hand, maar roerloos.
‘Zijn naam was Wim van Beest,’ vervolgde de man. ‘Maar op zijn wielershirt stond ooit “W. van Est”. Vergissing van een drukkertje. Dat shirt heb ik nog. De naam klonk te groots om zomaar te corrigeren, zei mijn moeder. Ze liet het zo.’
Bertus knikte langzaam. ‘Dan is dit misschien geen toeval, jongeman. De fiets waar je op leunt… men fluistert dat hij ooit toebehoorde aan een van de vijf broers van Wim van Est. Misschien aan Wim zelf.’
Wim keek op. ‘Vijf broers?’
Bertus streek over zijn kin. ‘Zeker. Wim had vier broers die allemaal wielrennen op hun eigen manier beoefenden. De Van Esten waren een fenomeen in hun streek. Piet, Janus, Nico… ze waren misschien niet zo beroemd als Wim, die in 1951 als eerste Nederlander het geel droeg in de Tour, maar ze reden ook koers. Samen waren ze als een peloton. Hun vader repareerde zelf de fietsen, hun moeder zorgde voor havermout en karrevrachten boterhammen met suiker.’
‘Dat… dat lijkt op de verhalen die mijn moeder vertelde,’ zei Wim langzaam. ‘Dat mijn opa altijd zei: als je een fiets hebt, heb je hoop. En als je trapt, kom je vooruit. Mijn vader fietste niet alleen om te winnen, zei ze, maar om de oorlog van zich af te rijden.’
Bertus knikte. ‘De oorlog zat dicht op hun huid, bij al die jongens van toen. Fietsen was ook vrijheid.’
Wim streek met zijn hand over het frame. ‘Dus… deze fiets…’
‘Misschien is het de zijne. Of van zijn broer Nico. Of Piet. Niemand weet het meer zeker. Maar de ziel van de fiets… die herkent jou misschien wel,’ zei Bertus met een knipoog.
Er viel een stilte, maar geen ongemakkelijke. Een stilte waarin iets landde.
Toen stapte Wim op de fiets. Hij klikte zijn hakken niet in pedalen — gewone schoenen hadden daar geen systemen voor — maar hij zat recht, in balans, als een renner. Zijn gezicht was anders. Zachter. Lichter.
‘Weet je wat?’ zei hij. ‘Als ik vanavond droom dat ik de Aubisque op fiets… dan weet ik wie naast me rijdt. Mijn vader. En misschien ook wel een paar oudooms waar ik nooit van wist.’
Bertus lachte. ‘En dan zijn ze trots, jongen. Want fietsen is meer dan sport. Het is herinnering, en hoop in beweging.’
Trees stond nog altijd met de doek in haar hand, maar had al lang geen stof meer gezien. Ze keek naar Wim op de fiets, alsof hij iets bij zich droeg dat niet in geld of goederen te meten was. Jannus had zijn armen over elkaar geslagen en knikte zacht, alsof er een puzzelstuk op zijn plek was gevallen.
Wim stapte voorzichtig van de fiets af. ‘Ik weet niet of ik hem mee naar huis durf te nemen,’ zei hij. ‘Het voelt alsof ik eerst… iets terug moet geven. Een rit misschien. Of een verhaal.’
Bertus keek naar hem, knikte, en zei: ‘Laat hem hier nog maar even. Fietsen die geschiedenis dragen, moeten eerst landen. Zoals jij.’
Jannus deed een stap naar voren. ‘We zetten hem bij het raam. Zodat iedereen die langskomt even stil kan staan bij wat er beweegt, zelfs als het stil staat.’
Trees pakte de doek weer op, alsof de rust terugkeerde in haar handen. ‘En als u hem nodig hebt, dan staat hij klaar. Want sommige dingen zijn geen bezit. Ze zijn vertrouwen op wielen.’
Wim lachte, en het was een lach die iets losmaakte bij iedereen in de ruimte. Hij liep nog even naar de leestafel, bladerde achteloos door het Tour-artikel en streelde met zijn vingers langs de rand van de pagina.
‘Vanavond fiets ik. Droom of niet,’ zei hij. ‘En misschien trap ik mezelf niet omhoog, maar terug naar wie ik was — of wie ik nooit heb gekend.’
Dan liep hij naar de deur. Buiten wachtte de zomerzon, de blauwe lucht met witte wolken, een horizon die op hem lag te wachten.
De bel klingelde zacht toen hij de drempel overstak.
Achter hem, bij het raam, glom het chroom van de oude racefiets als een belofte die geduldig wacht.
Geef een reactie op wzijlstra10 Reactie annuleren